top of page

Meerwaardebelasting op crypto in België: 10% heffing vanaf 2026 uitgelegd

Bijgewerkt op: 22 uur geleden

In de loop van 2025 en 2026 heeft de federale wetgever duidelijke stappen gezet richting de invoering van een meerwaardebelasting op financiële activa, waaronder ook cryptoactiva. In december 2025 werd een voorontwerp van programmawet ingediend waarin een heffing van 10% op gerealiseerde meerwaarden wordt voorzien. Op het ogenblik van schrijven (begin 2026) is deze wet evenwel nog niet definitief aangenomen.

In dit artikel wordt een overzicht gegeven van het geplande kader van de meerwaardebelasting op crypto in België, op basis van de momenteel beschikbare wetsvoorstellen en beleidsdocumenten. Waar relevant wordt gewezen op resterende onzekerheden en aandachtspunten. Zodra de definitieve wetteksten worden gepubliceerd, zal dit overzicht verder worden geactualiseerd.

persoon die zich afvraagt of er een meerwaardebelasting komt op crypto

I. Meerwaardebelasting op crypto van 10% op gerealiseerde meerwaarden

Het wetsvoorstel voorziet in de invoering van een algemene solidariteitsbijdrage van 10% op de toekomstige gerealiseerde meerwaarden op financiële activa, met inbegrip van cryptoactiva. Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald dat enkel meerwaarden die worden opgebouwd vanaf de invoering van de bijdrage onder het nieuwe regime vallen. Historische meerwaarden blijven dus vrijgesteld.

Deze uitgangspunten werden reeds aangekondigd in eerdere beleidsdocumenten en worden bevestigd in het wetsontwerp dat op 17 december 2025 werd ingediend. Het nieuwe regime vindt toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel van financiële activa. Opdat de meerwaardebelasting van toepassing is, moet in beginsel voldaan zijn aan twee voorwaarden: het moet gaan om financiële activa en de meerwaarde moet worden gerealiseerd bij een overdracht onder bezwarende titel.

Voorwaarde 1: Cryptoactiva als financiële activa

In het wetsontwerp wordt het begrip “financiële activa” ruim geïnterpreteerd. Het omvat vier categorieën, met name financiële instrumenten, bepaalde verzekeringscontracten, cryptoactiva en beleggingsgoud.

Cryptoactiva worden in het voorgestelde fiscale kader uitdrukkelijk aangemerkt als financiële activa. Daarbij wordt aangesloten bij de definitie uit Verordening (EU) 2023/1114 (MiCA). Een cryptoactivum wordt omschreven als een digitale weergave van een waarde of een recht die elektronisch kan worden overgedragen en opgeslagen met behulp van distributed-ledger-technologie of een vergelijkbare technologie.

Categorieën van cryptoactiva volgens MiCA

De MiCA-verordening onderscheidt vier categorieën cryptoactiva. Een eerste categorie betreft elektronischgeldtokens, die hun waarde trachten te stabiliseren door te verwijzen naar een officiële valuta, zoals de euro of de dollar. Hieronder vallen de zogenaamde stablecoins.

Daarnaast voorziet MiCA in activagerelateerde tokens, zijnde cryptoactiva die hun waarde koppelen aan andere activa of rechten dan een officiële valuta, of aan een combinatie daarvan.

Een derde categorie omvat utility tokens, die uitsluitend bedoeld zijn om toegang te verlenen tot een goed of dienst die door de uitgever ervan wordt aangeboden.

Tot slot bestaat er een restcategorie voor cryptoactiva die niet onder één van de voorgaande categorieën vallen. Tot deze categorie behoren onder meer klassieke cryptomunten zoals Bitcoin (BTC) en Ether (ETH), die geen recht geven op een onderliggend actief en geen stabiele waarde nastreven.

Deze indeling wordt ook als referentiekader gehanteerd binnen het voorgestelde fiscale regime voor de meerwaardebelasting.

Security tokens en financiële instrumenten

Cryptoactiva die kwalificeren als financiële instrumenten in de zin van de MiFID-reglementering vallen buiten het toepassingsgebied van de MiCA-verordening. Dit betekent evenwel niet dat zij ook buiten het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen.

Zogenaamde security tokens, die aan hun houders rechten verlenen vergelijkbaar met aandelen, obligaties of andere effecten, kunnen worden beschouwd als effecten in de zin van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector. In dat geval vallen zij eveneens onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. Bij deze beoordeling primeert steeds de economische realiteit boven de juridische vorm.

NFT’s en de meerwaardebelasting

NFT’s vallen op zich buiten het toepassingsgebied van de MiCA-verordening, maar kunnen niettemin onder de meerwaardebelasting vallen indien zij worden gebruikt voor betalings- of investeringsdoeleinden. Deze benadering sluit aan bij het Europese fiscale rapporteringskader (DAC8) en bij het Crypto-Asset Reporting Framework (CARF) van de OESO.

NFT’s die louter digitale kunstwerken of verzamelobjecten vertegenwoordigen en geen betalings- of investeringsfunctie hebben, blijven in beginsel buiten het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. NFT’s die daarentegen verhandelbaar zijn en in de praktijk als investering of betaalmiddel worden gebruikt, kunnen wel als financiële activa worden beschouwd. Bij deze beoordeling is niet de benaming of marketing doorslaggevend, maar de feitelijke functie van het NFT in de praktijk.

Voorwaarde II: Overdracht onder bezwarende titel van crypto (fiscale realisatie)

Fiscaal gezien is er slechts sprake van een belastbare meerwaarde wanneer een cryptoactivum wordt gerealiseerd, met andere woorden wanneer er een overdracht onder bezwarende titel plaatsvindt. Het wetsontwerp neemt op dit punt een aantal onduidelijkheden weg die in de praktijk nog regelmatig aanleiding gaven tot discussie.

Het ruilen of swappen van crypto

Het wetsontwerp bevestigt uitdrukkelijk dat elke vervreemding van cryptoactiva wordt beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel. Dit geldt niet alleen wanneer cryptoactiva worden omgezet in fiduciaire valuta, maar ook wanneer zij worden omgewisseld voor andere cryptoactiva.

Met andere woorden: zowel een verkoop tegen euro’s als een swap van het ene cryptoactivum naar het andere vormt een fiscale realisatie. Ook het omzetten van bijvoorbeeld BTC of ETH naar een stablecoin is bijgevolg belastbaar. Het wetsontwerp verwijst in dat verband naar een eerdere bevestiging door de minister van Financiën (schriftelijke vraag nr. 1338, Maxime Prévot, Bull. V&A 55/105, p. 180). Deze benadering sluit bovendien aan bij de definitie van een “wisseltransactie” in de zin van Richtlijn (EU) 2023/2226 (DAC8), die zowel de wissel tussen cryptoactiva en fiduciaire valuta als de wissel tussen verschillende cryptoactiva omvat.

Gebruik van crypto als betaalmiddel

Ook het aanwenden van cryptoactiva voor de aankoop van goederen of diensten vormt een fiscale realisatie. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer crypto wordt gebruikt om rechtstreeks een betaling te verrichten, zoals de aankoop van een consumptiegoed of dienst.

In de praktijk is dit een belangrijk aandachtspunt, met name voor belastingplichtigen die gebruikmaken van een cryptobetaalkaart (vb bij Revolut, Crypto.com, Nexo, Bybit Card, Coinbase Card, en Bitrefill Card). Elke betaling die met dergelijke kaart wordt verricht, houdt fiscaal gezien een realisatie in van de onderliggende cryptoactiva. Op de daarbij gerealiseerde meerwaarde kan dus de meerwaardebelasting van toepassing zijn.

Overdracht tussen eigen wallets

Wanneer cryptoactiva worden overgedragen tussen verschillende wallets van dezelfde belastingplichtige, is er geen sprake van een overdracht onder bezwarende titel en dus ook niet van een fiscale realisatie. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer crypto wordt verplaatst van een cold storage wallet, zoals een Ledger, Ngrave of Trezor, naar een account bij een crypto-exchange met het oog op een latere verkoop.

In dat geval is geen meerwaardebelasting verschuldigd op het moment van de overdracht tussen de wallets. De fiscale realisatie vindt pas plaats op het ogenblik waarop de cryptoactiva effectief worden verkocht of omgewisseld op de exchange, bijvoorbeeld tegen fiduciaire valuta of tegen andere cryptoactiva.

II. Verhouding tot de bestaande 33%-heffing op speculatieve crypto-inkomsten

Het voorgestelde nieuwe regime voor de belasting van meerwaarden op financiële activa wordt ingevoerd als een lex specialis ten opzichte van het bestaande stelsel van diverse inkomsten. Dit betekent dat het nieuwe regime niet in de plaats komt van de huidige belasting van 33% op meerwaarden die voortvloeien uit speculatieve verrichtingen of uit handelingen die buiten het normale beheer van het privévermogen vallen.

In tegenstelling tot eerdere berichten wordt de 33%-heffing dus niet afgeschaft. Zij blijft onverkort van toepassing op crypto-meerwaarden die als speculatief of abnormaal worden gekwalificeerd. Het nieuwe regime voorziet enkel in een afzonderlijke behandeling van meerwaarden op financiële activa die worden gerealiseerd binnen het kader van het normale beheer van het privévermogen en buiten enig beroepsmatig kader.

In dat verband preciseert het wetsontwerp dat bij de beoordeling van het al dan niet abnormale karakter van cryptotransacties rekening kan worden gehouden met een geheel van feitelijke elementen. Daarbij wordt onder meer verwezen naar het aandeel van het roerend vermogen dat in cryptoactiva wordt geïnvesteerd, het al dan niet gebruikmaken van financiering voor de aankoop van cryptoactiva, het inzetten van geautomatiseerde processen of software voor het uitvoeren van transacties, evenals het aantal verrichte transacties. Deze criteria kunnen gezamenlijk of afzonderlijk een rol spelen bij de fiscale kwalificatie van de verrichtingen.

Bevestiging in het voorontwerp van programmawet

Het voorontwerp van programmawet bevestigt deze benadering uitdrukkelijk. Daarin wordt gesteld dat het nieuwe regime geldt als lex specialis ten opzichte van het bestaande regime inzake diverse inkomsten, waarbij meerwaarden aan een afzonderlijke aanslagvoet van 33% worden belast wanneer zij voortkomen uit verrichtingen die buiten het normale beheer van het privévermogen vallen of een speculatief karakter hebben.

Meerwaarden op financiële activa die binnen het toepassingsgebied van het nieuwe regime vallen en die vanaf 1 januari 2026 worden gerealiseerd, worden enkel aan dit nieuwe regime onderworpen, op voorwaarde dat zij voortkomen uit verrichtingen binnen het kader van het normale beheer van het privévermogen. Het bestaande stelsel blijft daarentegen van toepassing op verrichtingen die buiten het normale beheer vallen, evenals op verrichtingen die betrekking hebben op vermogensbestanddelen die niet onder het nieuwe regime ressorteren.

Een inkomen dat als meerwaarde op een financieel actief wordt gekwalificeerd, kan dan ook niet gelijktijdig worden aangemerkt als roerend inkomen, beroepsinkomen of divers inkomen. Dubbele belasting op basis van verschillende inkomenscategorieën is met andere woorden uitgesloten. Dit betekent concreet dat eenzelfde meerwaarde niet tegelijkertijd onder de algemene meerwaardebelasting kan vallen én belast kan worden aan 33% als speculatieve verrichting.

Aanhoudende onzekerheid voor crypto-investeerders

Voor crypto-investeerders brengt dit nieuwe kader belangrijke onzekerheden met zich mee. Er werd gehoopt dat de wetgever van deze hervorming gebruik zou maken om meer duidelijkheid te scheppen over het vaak betwiste onderscheid tussen normaal beheer van het privévermogen en speculatief of abnormaal beheer. In het huidige wetsvoorstel wordt dit onderscheid evenwel niet verder verduidelijkt.

Dit betekent dat bestaande discussies met de fiscale administratie niet worden weggewerkt, maar zich mogelijk zelfs zullen verplaatsen naar de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting. In de praktijk zal de aangifteplicht toenemen en zal ook het risico op fiscale controles en vragen om inlichtingen verder groeien. Voor meer informatie over de zienswijze van de DVB kan u terecht in dit artikel.

III. Vrijstelling van 10.000 EUR

Het algemene regime van de nieuwe meerwaardebelasting voorziet in een aanslagvoet van 10% op de gerealiseerde meerwaarde, na toepassing van een jaarlijkse vrijstelling van de belastbare basis van 10.000 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027).

Het basisbedrag van deze vrijstelling kan, onder bepaalde voorwaarden, jaarlijks worden overgedragen met een bijkomend bedrag van 1.000 euro per belastbaar tijdperk, zonder dat het gecumuleerde vrijstellingsbedrag meer dan 15.000 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027) kan bedragen.

Deze vrijstelling is uitsluitend van toepassing op meerwaarden die onder het nieuwe meerwaarderegime vallen, met name meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het kader van het normale beheer van het privévermogen. Meerwaarden die worden gekwalificeerd als speculatief of abnormaal, evenals meerwaarden die beroepsmatig worden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor deze vrijstelling.

IV. Aanschaffingswaarde , belastbare basis en vrijstelling van historische meerwaarden

Het nieuwe regime voorziet uitdrukkelijk in de vrijstelling van historische meerwaarden. Om deze vrijstelling te realiseren, wordt voor financiële activa die werden verworven vóór 1 januari 2026 de waarde van het actief op 31 december 2025 gehanteerd als verkrijgingsprijs. Dit referentietijdstip wordt ook wel aangeduid als het zogenaamde “fotomoment”.

Meerwaarden die vóór dit fotomoment werden opgebouwd, blijven aldus buiten het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. Enkel de meerwaarde die wordt gerealiseerd na 31 december 2025 kan in aanmerking worden genomen.

Indien de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van het financieel actief hoger ligt dan de waarde op 31 december 2025, mag de belastingplichtige tot en met 31 december 2030 alsnog de hogere aanschaffingswaarde hanteren, op voorwaarde dat deze voldoende kan worden bewezen.

Beperking tot de Belgische belastingperiode

Om de draagwijdte van de belasting te beperken tot België, wordt enkel het gedeelte van de meerwaarde in aanmerking genomen dat werd gerealiseerd tijdens de periode waarin de belastingplichtige Belgisch rijksinwoner was.

Wanneer een belastingplichtige pas op een later tijdstip Belgisch rijksinwoner wordt, wordt de waarde van het financieel actief op het ogenblik van die immigratie beschouwd als de aanschaffingswaarde voor de toepassing van de meerwaardebelasting.

Verrekening van minderwaarden

De belastbare meerwaarde kan worden verminderd met gerealiseerde minderwaarden op financiële activa die onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen. Deze verrekening is enkel mogelijk indien:

  • de minderwaarde werd gerealiseerd door dezelfde belastingplichtige;

  • de minderwaarde werd gerealiseerd in hetzelfde belastbare tijdperk;

  • de meer- en minderwaarden betrekking hebben op dezelfde categorie van belastbare financiële activa.

Bepaling van de waarde op 31 december 2025

Voor genoteerde financiële activa wordt de waarde op 31 december 2025 vastgesteld op basis van de laatste slotkoers van het jaar 2025. Dit betreft noteringen op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare en regelmatig werkende markt. Voor cryptoactiva, waarvoor geen officiële beursnotering bestaat, kan in de praktijk worden vertrokken van historische koersgegevens op betrouwbare marktdata-websites die prijzen aggregeren over meerdere handelsplatformen. Veelgebruikte bronnen hiervoor zijn onder meer CoinMarketCap, CoinGecko en CryptoCompare, waar per cryptoactivum historische dagkoersen kunnen worden geraadpleegd, evenals TradingView voor historische koersgegevens per specifiek handelsplatform en trading pair (bijvoorbeeld BTC/EUR). Het is aangewezen om de gebruikte bron, het trading pair en de geraadpleegde datum expliciet te documenteren, zodat de gehanteerde waarde achteraf kan worden gereconstrueerd en verantwoord.

First In First Out (FIFO)

Wat bijzonder relevant is voor belastingplichtigen die meerdere cryptoactiva van dezelfde aard aanhouden, is de keuze van de wetgever voor de FIFO-methode (first in, first out) bij de bepaling van de aanschaffingswaarde.

In eerdere versies van de ontwerpteksten werd nog het gewogen gemiddelde voorgesteld als voorkeursmethode. Die benadering zou impliceren dat alternatieve methodes zoals FIFO of LIFO (last in, first out) uitgesloten zouden worden. Volgens de memorie van toelichting zou het gewogen gemiddelde de voorspelbaarheid verhogen, de fiscale verwerking vereenvoudigen en het risico op discussie met de fiscale administratie beperken.

In de meest recente ontwerpteksten werd deze keuze evenwel verlaten. De wetgever kiest nu uitdrukkelijk voor de FIFO-methode. Concreet wordt bepaald dat, wanneer een belastingplichtige meerdere identieke financiële activa aanhoudt die op verschillende tijdstippen en aan verschillende prijzen werden verworven, het eerst verkregen financieel actief geacht wordt het eerst te zijn overgedragen.

Het is daarbij belangrijk te benadrukken dat deze bepaling geen fictie invoert waarbij een latere overdracht fiscaal zou worden opgesplitst in meerdere afzonderlijke overdrachten. De FIFO-methode dient uitsluitend om te bepalen welke aanschaffingswaarde moet worden toegerekend aan het gedeelte van de activa dat wordt verkocht.

Praktisch voorbeeld: FIFO in combinatie met het fotomoment van 31 december 2025

Stel dat een belastingplichtige de volgende aankopen van Bitcoin heeft verricht:

  • In 2020 verwerft hij 1 BTC. Overeenkomstig de vrijstelling van historische meerwaarden wordt voor deze BTC de waarde op 31 december 2025 gehanteerd als fiscale aanschaffingswaarde (het zogenaamde fotomoment). De slotkoers van Bitcoin op die datum bedroeg ongeveer 74.600 EUR per BTC.

  • In 2026 verwerft hij 0,1 BTC aan een prijs van 100.000 EUR per BTC. In 2027 verwerft hij 0,2 BTC aan een prijs van 150.000 EUR per BTC. In 2028 verwerft hij 0,7 BTC aan een prijs van 200.000 EUR per BTC.

  • In datzelfde jaar 2028 verkoopt de belastingplichtige vervolgens 1,5 BTC aan een prijs van 200.000 EUR per BTC, wat resulteert in een totale verkoopprijs van 300.000 EUR.

Volgens de FIFO-methode wordt aangenomen dat de verkochte 1,5 BTC afkomstig is uit de oudste beschikbare fiscale schijven, in chronologische volgorde:

  • Eerst wordt 1 BTC verkocht uit de positie die werd verworven vóór 2026, waarvan de fiscale aanschaffingswaarde werd vastgelegd op 31 december 2025.

  • Vervolgens wordt 0,1 BTC verkocht uit de aankoop van 2026.

  • Daarna wordt 0,2 BTC verkocht uit de aankoop van 2027.

  • Tot slot wordt 0,2 BTC verkocht uit de aankoop van 2028.

De totale fiscale aanschaffingswaarde van de verkochte 1,5 BTC bedraagt aldus:

  • 1 BTC × 74.600 EUR = 74.600 EUR

  • 0,1 BTC × 100.000 EUR = 10.000 EUR

  • 0,2 BTC × 150.000 EUR = 30.000 EUR

  • 0,2 BTC × 200.000 EUR = 40.000 EUR

Totale aanschaffingswaarde: 154.600 EUR. De gerealiseerde meerwaarde bedraagt 145.400 EUR (300.000 EUR verkoopprijs min 154.600 EUR aanschaffingswaarde). Bij toepassing van de meerwaardebelasting van 10% is 14.540 EUR belasting verschuldigd, of 13.540 EUR indien de jaarlijkse vrijstelling van de belastbare basis van 10.000 EUR nog kan worden toegepast.

Dit voorbeeld toont aan dat ook cryptoactiva die vóór 2026 werden verworven, via het fotomoment van 31 december 2025, een doorslaggevende rol blijven spelen bij de berekening van de belastbare meerwaarde onder de FIFO-methode.

Voor de meeste beleggers is het haast ondoenbaar om de nodige berekeningen volledig en correct manueel uit te voeren. Software zoals Koinly, CoinTracking of CryptoTaxCalculator zal dan ook in veel gevallen onmisbaar zijn om tot een juiste en verantwoorde aangifte te komen.

Minderwaarden, verliezen en kosten

Het wetsontwerp voorziet in een beperkte mogelijkheid tot aftrek van minderwaarden, onder strikte voorwaarden. Deze benadering wordt bevestigd in het finaal akkoord. In tegenstelling tot wat bij bepaalde andere vermogensbestanddelen soms het geval is, kunnen kosten of belastingen verbonden aan de verkoop van financiële activa niet in mindering worden gebracht op de verkoopprijs voor de berekening van de belastbare meerwaarde. Enkel reëel gerealiseerde verliezen (minderwaarden) komen in aanmerking voor aftrek.

De belastbare basis van de meerwaardebelasting wordt bepaald als het positieve verschil tussen de ontvangen prijs en de aanschaffingswaarde van het overgedragen financieel actief. Indien de ontvangen prijs lager ligt dan de aanschaffingswaarde, ontstaat een minderwaarde. Deze minderwaarde kan fiscaal relevant zijn, op voorwaarde dat zij effectief werd gerealiseerd en door de belastingplichtige kan worden aangetoond.

Gerealiseerde minderwaarden kunnen uitsluitend worden verrekend met gerealiseerde meerwaarden die:

  • werden gerealiseerd door dezelfde belastingplichtige,

  • in hetzelfde belastbare tijdperk, en

  • binnen dezelfde categorie van belastbare financiële activa.

Zo kunnen verliezen op cryptoactiva enkel worden verrekend met winsten op andere cryptoactiva, en niet met meerwaarden op aandelen, fondsen of verzekeringsproducten.

De regeling voorziet geen overdracht van minderwaarden naar latere jaren. Verliezen zijn dus enkel fiscaal bruikbaar indien zij kunnen worden gecompenseerd met voldoende meerwaarden die in datzelfde jaar worden gerealiseerd binnen dezelfde activacategorie. Dit vergt een nauwgezette administratie, waarbij de belastingplichtige het bestaan en het bedrag van de minderwaarden moet kunnen staven.

Hoewel deze regeling een zekere vorm van verliescompensatie mogelijk maakt, blijven de mogelijkheden daartoe beperkt in tijd en reikwijdte, wat de ruimte voor fiscale optimalisatie aanzienlijk beperkt.

V. Inwerkingtreding

De nieuwe meerwaardebelasting is voorzien om retroactief in werking te treden vanaf 1 januari 2026. Op het ogenblik van schrijven van dit artikel is het begin 2026 en is de wet, behoudens het ingediende wetsontwerp, nog niet definitief aangenomen. Niettemin blijkt uit het regeerakkoord en het wetsontwerp duidelijk de intentie van de wetgever om het nieuwe regime met terugwerkende kracht toe te passen vanaf die datum.

Meerwaarden die werden opgebouwd vóór 1 januari 2026 blijven volledig vrijgesteld. Voor financiële activa die reeds vóór die datum werden verworven, geldt in beginsel de waarde op 31 december 2025 als fiscale aanschaffingsprijs (het zogenaamde fotomoment). De belastingplichtige kan evenwel tot en met 31 december 2030 aantonen dat de werkelijke aanschaffingswaarde hoger ligt, in welk geval die hogere waarde in aanmerking kan worden genomen.

De nadere regels inzake waardebepaling en bewijsvoering zullen nog verder worden uitgewerkt in de definitieve wettekst en eventuele uitvoeringsmaatregelen.

VI. Mining en andere crypto-inkomsten: status quo?

Voor andere vormen van crypto-inkomsten, zoals mining, harvesting, liquidity pools en yield farming, bieden de huidige ontwerpteksten voorlopig geen bijkomende verduidelijking. Er worden geen specifieke bepalingen opgenomen die wijzen op een wijziging van de bestaande fiscale behandeling van deze activiteiten.

Dit wijst erop dat de wetgever deze inkomsten buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting houdt en dat het bestaande fiscale kader onverkort van toepassing blijft. In de praktijk betekent dit dat dergelijke inkomsten ook in de toekomst moeten worden beoordeeld volgens de huidige kwalificatieregels, afhankelijk van de concrete omstandigheden, als roerend inkomen, divers inkomen of beroepsinkomen.

De afwezigheid van expliciete nieuwe regels betekent evenwel niet dat de fiscale behandeling van deze inkomsten eenduidig is. Integendeel, de bestaande kaders gaan vaak gepaard met interpretatie- en kwalificatievragen, zodat ook voor deze vormen van crypto-inkomsten een zorgvuldige analyse van de feiten en omstandigheden aangewezen blijft.

VII. Conclusie

Hoewel het op dit ogenblik nog steeds gaat om ontwerpteksten en een politiek akkoord, wijzen het regeerakkoord en het ingediende wetsontwerp duidelijk op een fundamentele koerswijziging in de fiscale behandeling van meerwaarden op financiële activa, waaronder cryptoactiva. Met de invoering van een meerwaardebelasting van 10% wordt een nieuw algemeen kader gecreëerd voor meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het normale beheer van het privévermogen.

Tegelijk bevestigt het wetsontwerp dat de bestaande belasting van 33% op speculatieve of abnormale verrichtingen onverkort behouden blijft. Het onderscheid tussen normaal beheer van het privévermogen en speculatief of beroepsmatig handelen blijft dan ook cruciaal en zal in de praktijk vaak bepalend zijn voor het toepasselijke belastingregime.

De wetgever kiest daarbij uitdrukkelijk voor de FIFO-methode bij de bepaling van de aanschaffingswaarde, voorziet slechts in beperkte mogelijkheden tot verliesverrekening, en handhaaft strikte voorwaarden inzake bewijsvoering en documentatie. Voor andere crypto-inkomsten, zoals mining, staking en DeFi-activiteiten, blijft het bestaande fiscale kader voorlopig van toepassing, met alle bijhorende kwalificatievragen en onzekerheden.

In de praktijk zal de invoering van deze meerwaardebelasting ertoe leiden dat belastingplichtigen bij de aangifte van hun meerwaarden onvermijdelijk een bredere inkijk geven in hun cryptotransacties en portefeuille. In combinatie met de aangekondigde inzet op datamining en internationale gegevensuitwisseling vergroot dit de kans op fiscale controles en vragen om inlichtingen.

Een zorgvuldige voorbereiding, een correcte administratie en een voorafgaande analyse van de fiscale kwalificatie van de verrichtingen zijn dan ook essentieel in aanloop naar de inwerkingtreding van deze nieuwe regelgeving.

Indien u nog andere vragen hebt over crypto bekijk dan zeker onze Frequently Asked Questions (FAQ)





Christophe Romero Senne Verholle


Contact

Aeacus Lawyers staat tot uw dienst voor al uw juridische vragen. U kan met ons geheel vrijblijvend contact opnemen via het onderstaande e-mailadres of door het onderstaande formulier in te vullen. Wij komen zo spoedig mogelijk bij u terug. 

bottom of page