Meerwaardebelasting op crypto in België: 10% heffing vanaf 2026 uitgelegd
- Aeacus Lawyers

- 21 jan 2025
- 21 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 5 feb
In de loop van 2025 en 2026 heeft de federale wetgever duidelijke stappen gezet richting de invoering van een meerwaardebelasting op financiële activa, waaronder ook cryptoactiva. In december 2025 werd een voorontwerp van programmawet ingediend waarin een heffing van 10% op gerealiseerde meerwaarden wordt voorzien. Op het ogenblik van schrijven (begin 2026) is deze wet evenwel nog niet definitief aangenomen.
In dit artikel wordt een overzicht gegeven van het geplande kader van de meerwaardebelasting op crypto in België, op basis van de momenteel beschikbare wetsvoorstellen en beleidsdocumenten. Waar relevant wordt gewezen op resterende onzekerheden en aandachtspunten. Zodra de definitieve wetteksten worden gepubliceerd, zal dit overzicht verder worden geactualiseerd.

I. Meerwaardebelasting op crypto van 10% op gerealiseerde meerwaarden
Het wetsvoorstel voorziet in de invoering van een algemene solidariteitsbijdrage van 10% op de toekomstige gerealiseerde meerwaarden op financiële activa, met inbegrip van cryptoactiva. Daarbij wordt uitdrukkelijk bepaald dat enkel meerwaarden die worden opgebouwd vanaf de invoering van de bijdrage onder het nieuwe regime vallen. Historische meerwaarden blijven dus vrijgesteld.
Deze uitgangspunten werden reeds aangekondigd in eerdere beleidsdocumenten en worden bevestigd in het wetsontwerp dat op 17 december 2025 werd ingediend. Het nieuwe regime vindt toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel van financiële activa. Opdat de meerwaardebelasting van toepassing is, moet in beginsel voldaan zijn aan twee voorwaarden: het moet gaan om financiële activa en de meerwaarde moet worden gerealiseerd bij een overdracht onder bezwarende titel.
Voorwaarde 1: Cryptoactiva als financiële activa
In het wetsontwerp wordt het begrip “financiële activa” ruim geïnterpreteerd. Het omvat vier categorieën, met name financiële instrumenten, bepaalde verzekeringscontracten, cryptoactiva en beleggingsgoud.
Cryptoactiva worden in het voorgestelde fiscale kader uitdrukkelijk aangemerkt als financiële activa. Daarbij wordt aangesloten bij de definitie uit Verordening (EU) 2023/1114 (MiCA). Een cryptoactivum wordt omschreven als een digitale weergave van een waarde of een recht die elektronisch kan worden overgedragen en opgeslagen met behulp van distributed-ledger-technologie of een vergelijkbare technologie.
Categorieën van cryptoactiva volgens MiCA
De MiCA-verordening onderscheidt vier categorieën cryptoactiva. Een eerste categorie betreft elektronischgeldtokens, die hun waarde trachten te stabiliseren door te verwijzen naar een officiële valuta, zoals de euro of de dollar. Hieronder vallen de zogenaamde stablecoins.
Daarnaast voorziet MiCA in activagerelateerde tokens, zijnde cryptoactiva die hun waarde koppelen aan andere activa of rechten dan een officiële valuta, of aan een combinatie daarvan.
Een derde categorie omvat utility tokens, die uitsluitend bedoeld zijn om toegang te verlenen tot een goed of dienst die door de uitgever ervan wordt aangeboden.
Tot slot bestaat er een restcategorie voor cryptoactiva die niet onder één van de voorgaande categorieën vallen. Tot deze categorie behoren onder meer klassieke cryptomunten zoals Bitcoin (BTC) en Ether (ETH), die geen recht geven op een onderliggend actief en geen stabiele waarde nastreven.
Deze indeling wordt ook als referentiekader gehanteerd binnen het voorgestelde fiscale regime voor de meerwaardebelasting.
De gehanteerde definitie van cryptoactiva is aldus bijzonder ruim en lijkt zonder voorbehoud alle momenteel bestaande cryptomunten te omvatten. Daaruit volgt dat niet alleen klassieke cryptocurrencies zoals bitcoin en ether onder het toepassingsgebied vallen, maar ook stablecoins die niet aan de euro zijn gekoppeld. Meerwaarden die worden gerealiseerd als gevolg van een positieve wisselkoersevolutie bij de verkoop of omzetting van dergelijke stablecoins, zoals USDT of USDC, zijn naar onze mening dan ook belastbaar. Het stabiliteitsmechanisme van deze tokens, dat doorgaans gericht is op het volgen van de Amerikaanse dollar, verandert niets aan die beoordeling zolang geen sprake is van een rechtstreekse koppeling aan de euro. Vanuit fiscaal oogpunt blijft het immers gaan om een vermogensbestanddeel waarvan de waarde in euro kan schommelen en waarbij bij realisatie effectief belastbare meerwaarden kunnen ontstaan.
Security tokens en financiële instrumenten
Cryptoactiva die kwalificeren als financiële instrumenten in de zin van de MiFID-reglementering vallen buiten het toepassingsgebied van de MiCA-verordening. Dit betekent evenwel niet dat zij ook buiten het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen.
Zogenaamde security tokens, die aan hun houders rechten verlenen vergelijkbaar met aandelen, obligaties of andere effecten, kunnen worden beschouwd als effecten in de zin van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector. In dat geval vallen zij eveneens onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. Bij deze beoordeling primeert steeds de economische realiteit boven de juridische vorm.
NFT’s en de meerwaardebelasting
De wetgever heeft bij de afbakening van het toepassingsgebied, zoals reeds aangegeven, aansluiting gezocht bij de MiCA-verordening. De Belgische wetgever heeft er evenwel bewust voor gekozen om dit Europese referentiekader te verruimen door ook bepaalde non-fungible tokens onder de meerwaardebelasting te brengen. Het gaat daarbij niet om NFT’s die louter een digitaal verzamelobject belichamen, maar om tokens die in de praktijk worden gebruikt of verhandeld met een economisch oogmerk. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat een NFT, zodra zij vrij overdraagbaar is en kan worden verhandeld op een gespecialiseerde marktplaats zoals OpenSea, in fiscale zin een investeringskarakter krijgt en daardoor binnen het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting kan vallen.
Deze benadering impliceert dat de verhandelbaarheid van een NFT in de praktijk een doorslaggevend criterium vormt. NFT’s die op een open en liquide marktplaats worden aangeboden en waarvoor een marktprijs tot stand komt, zullen in beginsel geacht worden een investeringsfunctie te vervullen en dus onder het belastingregime te ressorteren. In dat licht lijkt de ruimte om dergelijke NFT’s nog als louter digitale verzamelobjecten te kwalificeren bijzonder beperkt. Dat geldt niet alleen voor bekende NFT-collecties, maar ook voor andere toepassingen waarbij een NFT fungeert als drager van economische waarde.
Daarbij kan onder meer worden gedacht aan kunstenaars die fysieke kunstwerken creëren en deze koppelen aan een NFT die afzonderlijk of aanvullend kan worden verhandeld op een platform zoals OpenSea. In dergelijke gevallen wordt het steeds moeilijker om vol te houden dat het uitsluitend om een niet-economisch, louter digitaal verzamelobject gaat. Zodra de NFT zelfstandig circuleert op een secundaire markt en los van het fysieke kunstwerk een verhandelbare waarde vertegenwoordigt, dringt de kwalificatie als investeringsactief zich op. Hetzelfde geldt voor andere digitale rechten die via een NFT-structuur worden overgedragen, zoals blockchain-domeinnamen. Het formele label “NFT” is daarbij ondergeschikt aan de economische realiteit van vrije verhandelbaarheid en potentiële waardestijging, die volgens de wetgever volstaat om de gerealiseerde meerwaarden binnen het toepassingsgebied van de belasting te brengen.
Voorwaarde II: Overdracht onder bezwarende titel van crypto (fiscale realisatie)
Fiscaal gezien is er slechts sprake van een belastbare meerwaarde wanneer een cryptoactivum wordt gerealiseerd, met andere woorden wanneer er een overdracht onder bezwarende titel plaatsvindt. Het betreft elke vorm van overdracht waarbij de overdrager een tegenprestatie ontvangt in ruil voor de overgedragen cryptomunten. Het wetsontwerp neemt op dit punt een aantal onduidelijkheden weg die in de praktijk nog regelmatig aanleiding gaven tot discussie.
Het ruilen of swappen van crypto
Het wetsontwerp bevestigt uitdrukkelijk dat elke vervreemding van cryptoactiva wordt beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel. Dit geldt niet alleen wanneer cryptoactiva worden omgezet in fiduciaire valuta (bijvoorbeeld in euro's of dollars), maar ook wanneer zij worden omgewisseld voor andere cryptoactiva.
Met andere woorden: zowel een verkoop tegen euro’s als een swap van het ene cryptoactivum naar het andere vormt een fiscale realisatie. Ook het omzetten van bijvoorbeeld BTC of ETH naar een stablecoin is bijgevolg belastbaar. Het wetsontwerp verwijst in dat verband naar een eerdere bevestiging door de minister van Financiën (schriftelijke vraag nr. 1338, Maxime Prévot, Bull. V&A 55/105, p. 180). Deze benadering sluit bovendien aan bij de definitie van een “wisseltransactie” in de zin van Richtlijn (EU) 2023/2226 (DAC8), die zowel de wissel tussen cryptoactiva en fiduciaire valuta als de wissel tussen verschillende cryptoactiva omvat.
Gebruik van crypto als betaalmiddel
Ook het aanwenden van cryptoactiva voor de aankoop van goederen of diensten vormt een fiscale realisatie. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer crypto wordt gebruikt om rechtstreeks een betaling te verrichten, zoals de aankoop van een consumptiegoed of dienst.
In de praktijk is dit een belangrijk aandachtspunt, met name voor belastingplichtigen die gebruikmaken van een cryptobetaalkaart (vb bij Revolut, Crypto.com, Nexo, Bybit Card, Coinbase Card, en Bitrefill Card). Elke betaling die met dergelijke kaart wordt verricht, houdt fiscaal gezien een realisatie in van de onderliggende cryptoactiva. Op de daarbij gerealiseerde meerwaarde kan dus de meerwaardebelasting van toepassing zijn.
Overdracht tussen eigen wallets
Wanneer cryptoactiva worden overgedragen tussen verschillende wallets van dezelfde belastingplichtige, is er geen sprake van een overdracht onder bezwarende titel en dus ook niet van een fiscale realisatie. Dit geldt bijvoorbeeld wanneer crypto wordt verplaatst van een cold storage wallet, zoals een Ledger, Ngrave of Trezor, naar een account bij een crypto-exchange met het oog op een latere verkoop.
In dat geval is geen meerwaardebelasting verschuldigd op het moment van de overdracht tussen de wallets. De fiscale realisatie vindt pas plaats op het ogenblik waarop de cryptoactiva effectief worden verkocht of omgewisseld op de exchange, bijvoorbeeld tegen fiduciaire valuta of tegen andere cryptoactiva.
II. Verhouding tot de bestaande 33%-heffing op speculatieve crypto-inkomsten
Het voorgestelde nieuwe regime voor de belasting van meerwaarden op financiële activa wordt ingevoerd als een lex specialis ten opzichte van het bestaande stelsel van diverse inkomsten. Dit betekent dat het nieuwe regime niet in de plaats komt van de huidige belasting van 33% op meerwaarden die voortvloeien uit speculatieve verrichtingen of uit handelingen die buiten het normale beheer van het privévermogen vallen.
In tegenstelling tot eerdere berichten wordt de 33%-heffing dus niet afgeschaft. Zij blijft onverkort van toepassing op crypto-meerwaarden die als speculatief of abnormaal worden gekwalificeerd. Het nieuwe regime voorziet enkel in een afzonderlijke behandeling van meerwaarden op financiële activa die worden gerealiseerd binnen het kader van het normale beheer van het privévermogen en buiten enig beroepsmatig kader.
In dat verband preciseert het wetsontwerp dat bij de beoordeling van het al dan niet abnormale karakter van cryptotransacties rekening kan worden gehouden met een geheel van feitelijke elementen. Daarbij wordt onder meer verwezen naar het aandeel van het roerend vermogen dat in cryptoactiva wordt geïnvesteerd, het al dan niet gebruikmaken van financiering voor de aankoop van cryptoactiva, het inzetten van geautomatiseerde processen of software voor het uitvoeren van transacties, evenals het aantal verrichte transacties. Deze criteria kunnen gezamenlijk of afzonderlijk een rol spelen bij de fiscale kwalificatie van de verrichtingen.
Bevestiging in het voorontwerp van programmawet
Het voorontwerp van programmawet bevestigt deze benadering uitdrukkelijk. Daarin wordt gesteld dat het nieuwe regime geldt als lex specialis ten opzichte van het bestaande regime inzake diverse inkomsten, waarbij meerwaarden aan een afzonderlijke aanslagvoet van 33% worden belast wanneer zij voortkomen uit verrichtingen die buiten het normale beheer van het privévermogen vallen of een speculatief karakter hebben.
Meerwaarden op financiële activa die binnen het toepassingsgebied van het nieuwe regime vallen en die vanaf 1 januari 2026 worden gerealiseerd, worden enkel aan dit nieuwe regime onderworpen, op voorwaarde dat zij voortkomen uit verrichtingen binnen het kader van het normale beheer van het privévermogen. Het bestaande stelsel blijft daarentegen van toepassing op verrichtingen die buiten het normale beheer vallen, evenals op verrichtingen die betrekking hebben op vermogensbestanddelen die niet onder het nieuwe regime ressorteren.
Een inkomen dat als meerwaarde op een financieel actief wordt gekwalificeerd, kan dan ook niet gelijktijdig worden aangemerkt als roerend inkomen, beroepsinkomen of divers inkomen. Dubbele belasting op basis van verschillende inkomenscategorieën is met andere woorden uitgesloten. Dit betekent concreet dat eenzelfde meerwaarde niet tegelijkertijd onder de algemene meerwaardebelasting kan vallen én belast kan worden aan 33% als speculatieve verrichting.
Parlementaire verduidelijking: “abnormaal beheer” blijft uitzonderlijk
De Tijd heeft op 27 janauri geschreven dat in de Kamercommissie Financiën de minister van Financiën Jan Jambon heeft gereageerd op de ongerustheid bij cryptobeleggers dat de invoering van de meerwaardebelasting vanaf 2026 zou leiden tot een massale herkwalificatie van cryptotransacties als “abnormaal beheer”, belastbaar aan 33%.
De minister benadrukte dat het ook in het nieuwe regime aan de fiscale administratie blijft om met voldoende bewijsmateriaal aan te tonen dat een gerealiseerde meerwaarde voortkomt uit verrichtingen buiten het normale beheer van het privévermogen. Er werd hier eveneens bevestigd dat het gaat om een "aanzienlijke bewijslast" die rust op de schouders van de fiscale administratie. Volgens Jambon zal slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn van abnormaal beheer.
Hij verwees daarbij naar de criteria die in de memorie van toelichting worden genoemd en die ook vandaag reeds in de praktijk worden gehanteerd, zoals: het percentage van het roerend vermogen dat in cryptoactiva werd belegd, de eventuele aankoop van crypto met geleend geld,het gebruik van geautomatiseerde processen of software,en het aantal uitgevoerde transacties. Hierbij bevestigde de minister dat er aan meerdere criteria moet worden voldaan vooraleer er sprake kan zijn van abnormaal beheer.
Deze parlementaire toelichting bevestigt dat de kwalificatie van crypto-meerwaarden ook onder het nieuwe regime een feitenkwestie blijft, waarbij het normale tarief van 10% in principe het uitgangspunt vormt en het tarief van 33% beperkt blijft tot uitzonderlijke situaties van abnormaal of speculatief beheer.
Tegelijk biedt deze duiding op zichzelf geen volledige rechtszekerheid: de beoordeling blijft afhankelijk van de concrete omstandigheden van elk dossier, en verdere administratieve richtlijnen zullen nodig zijn om het onderscheid in de praktijk werkbaar af te bakenen.
Aanhoudende onzekerheid voor crypto-investeerders
Voor crypto-investeerders brengt dit nieuwe kader belangrijke onzekerheden met zich mee. Er werd gehoopt dat de wetgever van deze hervorming gebruik zou maken om meer duidelijkheid te scheppen over het vaak betwiste onderscheid tussen normaal beheer van het privévermogen en speculatief of abnormaal beheer. In het huidige wetsvoorstel wordt dit onderscheid evenwel niet verder verduidelijkt.
Dit betekent dat bestaande discussies met de fiscale administratie niet worden weggewerkt, maar zich mogelijk zelfs zullen verplaatsen naar de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting. In de praktijk zal de aangifteplicht toenemen en zal ook het risico op fiscale controles en vragen om inlichtingen verder groeien. Voor meer informatie over de zienswijze van de DVB kan u terecht in dit artikel. Zelf met de sussende woorden van de minister van Financiën is het duidelijk dat er spannende tijden zullen volgen voor de cryptobelegger.
III. Vrijstelling van 10.000 EUR
Het algemene regime van de nieuwe meerwaardebelasting voorziet in een aanslagvoet van 10% op de gerealiseerde meerwaarde, na toepassing van een jaarlijkse vrijstelling van de belastbare basis van 10.000 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027).
Het basisbedrag van deze vrijstelling kan, onder bepaalde voorwaarden, jaarlijks worden overgedragen met een bijkomend bedrag van 1.000 euro per belastbaar tijdperk, zonder dat het gecumuleerde vrijstellingsbedrag meer dan 15.000 euro (geïndexeerd bedrag voor aanslagjaar 2027) kan bedragen.
Deze vrijstelling is uitsluitend van toepassing op meerwaarden die onder het nieuwe meerwaarderegime vallen, met name meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het kader van het normale beheer van het privévermogen. Meerwaarden die worden gekwalificeerd als speculatief of abnormaal, evenals meerwaarden die beroepsmatig worden gerealiseerd, komen niet in aanmerking voor deze vrijstelling.
IV. Aanschaffingswaarde , belastbare basis en vrijstelling van historische meerwaarden
Vooreerst is het belangrijk op te merken dat voor de vaststelling van de belastbare meerwaarde uitsluitend de waarde in euro relevant is op het tijdstip van respectievelijk de verwerving en de vervreemding van de crypto-activa. Schommelingen in andere munten of in de onderliggende tokenwaarde zijn daarbij zonder belang. Doorslaggevend is enkel het verschil tussen de in euro uitgedrukte aanschaffingswaarde en de in euro gerealiseerde overdrachtswaarde op het moment van de transactie.
De belastingplichtige moet de aanschaffingswaarde van zijn crypto-activa kunnen aantonen op basis van bewijskrachtige gegevens. Indien dat bewijs ontbreekt, kan de fiscus de belastbare meerwaarde vaststellen op de volledige gerealiseerde verkoopprijs, ongeacht de werkelijk behaalde winst. Een sluitende en verifieerbare documentatie is dus essentieel.
In de praktijk wordt vaak gebruikgemaakt van gespecialiseerde fiscale software om transacties en historische euro-waarderingen te reconstrueren, al brengt dit uiteraard een kost met zich mee. Waar nodig kan voor de waardebepaling ook worden teruggegrepen naar openbare en algemeen gebruikte databanken zoals CoinMarketCap of CoinGecko. Welke methode ook wordt gehanteerd, doorslaggevend blijft dat de gebruikte bronnen betrouwbaar zijn en dat alle onderliggende gegevens zorgvuldig worden bewaard, zodat de gehanteerde waardes later op basis van bewijskrachtige gegevens kunnen worden gestaafd.
Het nieuwe regime voorziet uitdrukkelijk in de vrijstelling van historische meerwaarden. Om deze vrijstelling te realiseren, wordt voor financiële activa die werden verworven vóór 1 januari 2026 de waarde van het actief op 31 december 2025 gehanteerd als verkrijgingsprijs. Dit referentietijdstip wordt ook wel aangeduid als het zogenaamde “fotomoment”.
Meerwaarden die vóór dit fotomoment werden opgebouwd, blijven aldus buiten het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. Enkel de meerwaarde die wordt gerealiseerd na 31 december 2025 kan in aanmerking worden genomen.
Indien de oorspronkelijke aanschaffingswaarde van het financieel actief hoger ligt dan de waarde op 31 december 2025, mag de belastingplichtige tot en met 31 december 2030 alsnog de hogere aanschaffingswaarde hanteren, op voorwaarde dat deze voldoende kan worden bewezen.
Beperking tot de Belgische belastingperiode
Om de draagwijdte van de belasting te beperken tot België, wordt enkel het gedeelte van de meerwaarde in aanmerking genomen dat werd gerealiseerd tijdens de periode waarin de belastingplichtige Belgisch rijksinwoner was.
Wanneer een belastingplichtige pas op een later tijdstip Belgisch rijksinwoner wordt, wordt de waarde van het financieel actief op het ogenblik van die immigratie beschouwd als de aanschaffingswaarde voor de toepassing van de meerwaardebelasting.
Verrekening van minderwaarden
De belastbare meerwaarde kan worden verminderd met gerealiseerde minderwaarden op financiële activa die onder het toepassingsgebied van de meerwaardebelasting vallen. Deze verrekening is enkel mogelijk indien:
de minderwaarde werd gerealiseerd door dezelfde belastingplichtige;
de minderwaarde werd gerealiseerd in hetzelfde belastbare tijdperk;
de meer- en minderwaarden betrekking hebben op dezelfde categorie van belastbare financiële activa.
Bepaling van de waarde op 31 december 2025
Voor genoteerde financiële activa wordt de waarde op 31 december 2025 vastgesteld op basis van de laatste slotkoers van het jaar 2025. Dit betreft noteringen op een gereglementeerde markt of op enige andere openbare en regelmatig werkende markt. Voor cryptoactiva, waarvoor geen officiële beursnotering bestaat, kan in de praktijk worden vertrokken van historische koersgegevens op betrouwbare marktdata-websites die prijzen aggregeren over meerdere handelsplatformen. Veelgebruikte bronnen hiervoor zijn onder meer CoinMarketCap, CoinGecko en CryptoCompare, waar per cryptoactivum historische dagkoersen kunnen worden geraadpleegd, evenals TradingView voor historische koersgegevens per specifiek handelsplatform en trading pair (bijvoorbeeld BTC/EUR). Het is aangewezen om de gebruikte bron, het trading pair en de geraadpleegde datum expliciet te documenteren, zodat de gehanteerde waarde achteraf kan worden gereconstrueerd en verantwoord.
First In First Out (FIFO)
Wat bijzonder relevant is voor belastingplichtigen die meerdere cryptoactiva van dezelfde aard aanhouden, is de keuze van de wetgever voor de FIFO-methode (first in, first out) bij de bepaling van de aanschaffingswaarde.
In eerdere versies van de ontwerpteksten werd nog het gewogen gemiddelde voorgesteld als voorkeursmethode. Die benadering zou impliceren dat alternatieve methodes zoals FIFO of LIFO (last in, first out) uitgesloten zouden worden. Volgens de memorie van toelichting zou het gewogen gemiddelde de voorspelbaarheid verhogen, de fiscale verwerking vereenvoudigen en het risico op discussie met de fiscale administratie beperken.
In de meest recente ontwerpteksten werd deze keuze evenwel verlaten. De wetgever kiest nu uitdrukkelijk voor de FIFO-methode. Concreet wordt bepaald dat, wanneer een belastingplichtige meerdere identieke financiële activa aanhoudt die op verschillende tijdstippen en aan verschillende prijzen werden verworven, het eerst verkregen financieel actief geacht wordt het eerst te zijn overgedragen.
Het is daarbij belangrijk te benadrukken dat deze bepaling geen fictie invoert waarbij een latere overdracht fiscaal zou worden opgesplitst in meerdere afzonderlijke overdrachten. De FIFO-methode dient uitsluitend om te bepalen welke aanschaffingswaarde moet worden toegerekend aan het gedeelte van de activa dat wordt verkocht.
Bij de toepassing van de FIFO-methode stelt zich de vraag op welk niveau die berekening moet gebeuren. Een aanpak waarbij elke wallet, elk adres of elk handelsplatform strikt afzonderlijk wordt behandeld (depotseparatie), zou in de praktijk leiden tot een zeer zware administratieve last en een verhoogde kans op onnauwkeurigheden en interpretatiegeschillen.
Daarom wordt in de praktijk meestal geen onderscheid gemaakt per afzonderlijk “wallet”. Zowel wijzelf als doorgaans ook de fiscale administratie vertrekken vanuit een globale benadering, waarbij alle crypto-activa van de belastingplichtige samen worden bekeken. Deze keuze is vooral pragmatisch ingegeven en sluit aan bij de manier waarop crypto-investeringen doorgaans verlopen. Aankopen gebeuren vaak via een gecentraliseerde exchange, waarna de tokens worden overgeboekt naar een cold wallet en pas veel later, soms via een ander platform, opnieuw worden vervreemd. In die context is het weinig zinvol om elke technische bewaarplaats afzonderlijk te analyseren. De FIFO-logica wordt daarom doorgaans toegepast op het niveau van de investeerder als persoon, en niet op het niveau van individuele wallets of adressen.
Praktisch voorbeeld: FIFO in combinatie met het fotomoment van 31 december 2025
Stel dat een belastingplichtige de volgende aankopen van Bitcoin heeft verricht:
In 2020 verwerft hij 1 BTC. Overeenkomstig de vrijstelling van historische meerwaarden wordt voor deze BTC de waarde op 31 december 2025 gehanteerd als fiscale aanschaffingswaarde (het zogenaamde fotomoment). De slotkoers van Bitcoin op die datum bedroeg ongeveer 74.600 EUR per BTC.
In 2026 verwerft hij 0,1 BTC aan een prijs van 100.000 EUR per BTC. In 2027 verwerft hij 0,2 BTC aan een prijs van 150.000 EUR per BTC. In 2028 verwerft hij 0,7 BTC aan een prijs van 200.000 EUR per BTC.
In datzelfde jaar 2028 verkoopt de belastingplichtige vervolgens 1,5 BTC aan een prijs van 200.000 EUR per BTC, wat resulteert in een totale verkoopprijs van 300.000 EUR.
Volgens de FIFO-methode wordt aangenomen dat de verkochte 1,5 BTC afkomstig is uit de oudste beschikbare fiscale schijven, in chronologische volgorde:
Eerst wordt 1 BTC verkocht uit de positie die werd verworven vóór 2026, waarvan de fiscale aanschaffingswaarde werd vastgelegd op 31 december 2025.
Vervolgens wordt 0,1 BTC verkocht uit de aankoop van 2026.
Daarna wordt 0,2 BTC verkocht uit de aankoop van 2027.
Tot slot wordt 0,2 BTC verkocht uit de aankoop van 2028.
De totale fiscale aanschaffingswaarde van de verkochte 1,5 BTC bedraagt aldus:
1 BTC × 74.600 EUR = 74.600 EUR
0,1 BTC × 100.000 EUR = 10.000 EUR
0,2 BTC × 150.000 EUR = 30.000 EUR
0,2 BTC × 200.000 EUR = 40.000 EUR
Totale aanschaffingswaarde: 154.600 EUR. De gerealiseerde meerwaarde bedraagt 145.400 EUR (300.000 EUR verkoopprijs min 154.600 EUR aanschaffingswaarde). Bij toepassing van de meerwaardebelasting van 10% is 14.540 EUR belasting verschuldigd, of 13.540 EUR indien de jaarlijkse vrijstelling van de belastbare basis van 10.000 EUR nog kan worden toegepast.
Dit voorbeeld toont aan dat ook cryptoactiva die vóór 2026 werden verworven, via het fotomoment van 31 december 2025, een doorslaggevende rol blijven spelen bij de berekening van de belastbare meerwaarde onder de FIFO-methode.
Voor de meeste beleggers is het haast ondoenbaar om de nodige berekeningen volledig en correct manueel uit te voeren. Software zoals Koinly, CoinTracking of CryptoTaxCalculator zal dan ook in veel gevallen onmisbaar zijn om tot een juiste en verantwoorde aangifte te komen.
Minderwaarden, verliezen en kosten
Het wetsontwerp voorziet in een beperkte mogelijkheid tot aftrek van minderwaarden, onder strikte voorwaarden. Deze benadering wordt bevestigd in het finaal akkoord. In tegenstelling tot wat bij bepaalde andere vermogensbestanddelen soms het geval is, kunnen kosten of belastingen verbonden aan de verkoop van financiële activa niet in mindering worden gebracht op de verkoopprijs voor de berekening van de belastbare meerwaarde. Enkel reëel gerealiseerde verliezen (minderwaarden) komen in aanmerking voor aftrek.
De belastbare basis van de meerwaardebelasting wordt bepaald als het positieve verschil tussen de ontvangen prijs en de aanschaffingswaarde van het overgedragen financieel actief. Indien de ontvangen prijs lager ligt dan de aanschaffingswaarde, ontstaat een minderwaarde. Deze minderwaarde kan fiscaal relevant zijn, op voorwaarde dat zij effectief werd gerealiseerd en door de belastingplichtige kan worden aangetoond.
Gerealiseerde minderwaarden kunnen uitsluitend worden verrekend met gerealiseerde meerwaarden die:
werden gerealiseerd door dezelfde belastingplichtige,
in hetzelfde belastbare tijdperk, en
binnen dezelfde categorie van belastbare financiële activa.
Zo kunnen verliezen op cryptoactiva enkel worden verrekend met winsten op andere cryptoactiva, en niet met meerwaarden op aandelen, fondsen of verzekeringsproducten.
De regeling voorziet geen overdracht van minderwaarden naar latere jaren. Verliezen zijn dus enkel fiscaal bruikbaar indien zij kunnen worden gecompenseerd met voldoende meerwaarden die in datzelfde jaar worden gerealiseerd binnen dezelfde activacategorie. Dit vergt een nauwgezette administratie, waarbij de belastingplichtige het bestaan en het bedrag van de minderwaarden moet kunnen staven.
Hoewel deze regeling een zekere vorm van verliescompensatie mogelijk maakt, blijven de mogelijkheden daartoe beperkt in tijd en reikwijdte, wat de ruimte voor fiscale optimalisatie aanzienlijk beperkt.
De parlementaire voorbereiding stelt dat de gerealiseerde meerwaarde zelf wordt beschouwd als de netto belastbare basis, met als gevolg dat geen enkele kost of belasting in mindering kan worden gebracht, ongeacht de aard ervan. Dat geldt niet alleen voor klassieke kosten bij aankoop of verkoop, maar ook voor typisch aan crypto verbonden uitgaven zoals trading fees, gas fees, bridge fees of kosten bij gedwongen liquidaties. Zelfs belastingen zoals de taks op de beursverrichtingen, de effectentaks en betaalde schenk- of erfbelasting blijven buiten beschouwing bij de berekening van de belastbare meerwaarde.
Dit niet-aftrekbaar karakter kan in de praktijk bijzonder zwaar uitvallen voor particuliere cryptobeleggers. In geval van diefstal, hacking, faillissement van een handelsplatform of onherstelbaar verlies door een technische of menselijke fout, blijft het totaalverlies fiscaal irrelevant. Dat kan ertoe leiden dat een belegger wordt belast op een meerwaarde die binnen hetzelfde belastbaar tijdperk volledig is verdwenen. Vanuit juridisch oogpunt roept dit vragen op over de evenredigheid van de regeling en de verenigbaarheid ervan met het eigendomsrecht en het gelijkheidsbeginsel, temeer daar het Grondwettelijk Hof eerder reeds kritiek formuleerde op vergelijkbare situaties zonder kostenaftrek.
V. Inwerkingtreding
De nieuwe meerwaardebelasting is voorzien om retroactief in werking te treden vanaf 1 januari 2026. Op het ogenblik van schrijven van dit artikel is het begin 2026 en is de wet, behoudens het ingediende wetsontwerp, nog niet definitief aangenomen. Niettemin blijkt uit het regeerakkoord en het wetsontwerp duidelijk de intentie van de wetgever om het nieuwe regime met terugwerkende kracht toe te passen vanaf die datum.
Meerwaarden die werden opgebouwd vóór 1 januari 2026 blijven volledig vrijgesteld. Voor financiële activa die reeds vóór die datum werden verworven, geldt in beginsel de waarde op 31 december 2025 als fiscale aanschaffingsprijs (het zogenaamde fotomoment). De belastingplichtige kan evenwel tot en met 31 december 2030 aantonen dat de werkelijke aanschaffingswaarde hoger ligt, in welk geval die hogere waarde in aanmerking kan worden genomen.
De nadere regels inzake waardebepaling en bewijsvoering zullen nog verder worden uitgewerkt in de definitieve wettekst en eventuele uitvoeringsmaatregelen.
VI. Mining en andere crypto-inkomsten: status quo?
Voor andere vormen van crypto-inkomsten, zoals mining, harvesting, liquidity pools en yield farming, bieden de huidige ontwerpteksten voorlopig geen bijkomende verduidelijking. Er worden geen specifieke bepalingen opgenomen die wijzen op een wijziging van de bestaande fiscale behandeling van deze activiteiten.
Dit wijst erop dat de wetgever deze inkomsten buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting houdt en dat het bestaande fiscale kader onverkort van toepassing blijft. In de praktijk betekent dit dat dergelijke inkomsten ook in de toekomst moeten worden beoordeeld volgens de huidige kwalificatieregels, afhankelijk van de concrete omstandigheden, als roerend inkomen, divers inkomen of beroepsinkomen.
De afwezigheid van expliciete nieuwe regels betekent evenwel niet dat de fiscale behandeling van deze inkomsten eenduidig is. Integendeel, de bestaande kaders gaan vaak gepaard met interpretatie- en kwalificatievragen, zodat ook voor deze vormen van crypto-inkomsten een zorgvuldige analyse van de feiten en omstandigheden aangewezen blijft.
VII. Conclusie
Hoewel het op dit ogenblik nog steeds gaat om ontwerpteksten en een politiek akkoord, wijzen het regeerakkoord en het ingediende wetsontwerp duidelijk op een fundamentele koerswijziging in de fiscale behandeling van meerwaarden op financiële activa, waaronder cryptoactiva. Met de invoering van een meerwaardebelasting van 10% wordt een nieuw algemeen kader gecreëerd voor meerwaarden die worden gerealiseerd binnen het normale beheer van het privévermogen.
Tegelijk bevestigt het wetsontwerp dat de bestaande belasting van 33% op speculatieve of abnormale verrichtingen onverkort behouden blijft. Het onderscheid tussen normaal beheer van het privévermogen en speculatief of beroepsmatig handelen blijft dan ook cruciaal en zal in de praktijk vaak bepalend zijn voor het toepasselijke belastingregime.
De wetgever kiest daarbij uitdrukkelijk voor de FIFO-methode bij de bepaling van de aanschaffingswaarde, voorziet slechts in beperkte mogelijkheden tot verliesverrekening, en handhaaft strikte voorwaarden inzake bewijsvoering en documentatie. Voor andere crypto-inkomsten, zoals mining, staking en DeFi-activiteiten, blijft het bestaande fiscale kader voorlopig van toepassing, met alle bijhorende kwalificatievragen en onzekerheden.
In de praktijk zal de invoering van deze meerwaardebelasting ertoe leiden dat belastingplichtigen bij de aangifte van hun meerwaarden onvermijdelijk een bredere inkijk geven in hun cryptotransacties en portefeuille. In combinatie met de aangekondigde inzet op datamining en internationale gegevensuitwisseling vergroot dit de kans op fiscale controles en vragen om inlichtingen.
Een zorgvuldige voorbereiding, een correcte administratie en een voorafgaande analyse van de fiscale kwalificatie van de verrichtingen zijn dan ook essentieel in aanloop naar de inwerkingtreding van deze nieuwe regelgeving.
FAQ – Meerwaardebelasting op crypto in België
Wat houdt de nieuwe meerwaardebelasting op crypto precies in?
De federale wetgever voorziet in de invoering van een algemene solidariteitsbijdrage van 10% op gerealiseerde meerwaarden op financiële activa, waaronder cryptoactiva. De belasting is enkel van toepassing op meerwaarden die worden gerealiseerd vanaf de inwerkingtreding van het nieuwe regime en die voortkomen uit verrichtingen binnen het normale beheer van het privévermogen. Historische meerwaarden blijven uitdrukkelijk vrijgesteld via het zogenaamde fotomoment van 31 december 2025.
Vanaf wanneer is de meerwaardebelasting op crypto van toepassing?
Volgens het regeerakkoord en het ingediende wetsontwerp is het de bedoeling dat de meerwaardebelasting retroactief in werking treedt vanaf 1 januari 2026. Op het ogenblik van schrijven is de wet evenwel nog niet definitief aangenomen. Niettemin blijkt uit de voorbereidende teksten duidelijk de intentie van de wetgever om het nieuwe regime toe te passen op meerwaarden die vanaf die datum worden gerealiseerd.
Worden meerwaarden op crypto die vóór 2026 zijn opgebouwd belast?
Nee. Meerwaarden die vóór 1 januari 2026 zijn opgebouwd, blijven volledig vrijgesteld. Voor cryptoactiva die reeds vóór die datum werden verworven, geldt de waarde op 31 december 2025 als fiscale aanschaffingswaarde. Enkel de meerwaarde die na dat fotomoment wordt gerealiseerd, kan in aanmerking worden genomen voor de meerwaardebelasting.
Wat wordt beschouwd als een belastbare realisatie van crypto?
Er is sprake van een belastbare realisatie telkens wanneer een cryptoactivum wordt overgedragen onder bezwarende titel. Dit omvat niet alleen de verkoop van crypto tegen euro’s of andere fiduciaire valuta, maar ook de ruil of swap van cryptoactiva onderling. Ook het omzetten van crypto naar stablecoins of het gebruik van crypto als betaalmiddel voor goederen of diensten wordt fiscaal beschouwd als een realisatie.
Is het swappen van crypto onderling belastbaar?
Ja. Het wetsontwerp bevestigt uitdrukkelijk dat ook de ruil van het ene cryptoactivum naar het andere een overdracht onder bezwarende titel vormt. Dit betekent dat elke swap, ongeacht of er fiatgeld aan te pas komt, fiscaal een realisatie inhoudt waarop de meerwaardebelasting in principe van toepassing kan zijn.
Is het gebruik van een crypto-betaalkaart belastbaar?
Ja. Wanneer cryptoactiva worden gebruikt om betalingen te verrichten via een crypto-betaalkaart, wordt fiscaal aangenomen dat de onderliggende crypto wordt vervreemd. Elke betaling met een dergelijke kaart leidt dus tot een realisatie van cryptoactiva en kan aanleiding geven tot een belastbare meerwaarde.
Zijn transfers tussen eigen wallets belastbaar?
Nee. Een overdracht van cryptoactiva tussen wallets van dezelfde belastingplichtige wordt niet beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel. Dergelijke interne transfers leiden dus niet tot een fiscale realisatie. De belastbare gebeurtenis vindt pas plaats wanneer de crypto effectief wordt verkocht of omgewisseld.
Geldt de meerwaardebelasting ook voor NFT’s?
NFT’s vallen op zich buiten het toepassingsgebied van de MiCA-verordening, maar kunnen toch onder de meerwaardebelasting vallen indien zij in de praktijk worden gebruikt voor investerings- of betalingsdoeleinden. NFT’s die louter digitale kunst of verzamelobjecten vertegenwoordigen zonder economische investeringsfunctie, blijven in beginsel buiten het toepassingsgebied. De feitelijke functie primeert hierbij steeds op de benaming of marketing.
Wat is de verhouding met de bestaande 33%-belasting op speculatieve crypto-inkomsten?
De meerwaardebelasting van 10% geldt als een lex specialis voor meerwaarden op financiële activa die worden gerealiseerd binnen het normale beheer van het privévermogen. De bestaande belasting van 33% op speculatieve of abnormale verrichtingen blijft onverkort van toepassing. Meerwaarden die als speculatief of beroepsmatig worden gekwalificeerd, vallen dus buiten het nieuwe regime en blijven belastbaar aan 33%.
Kan dezelfde meerwaarde tegelijk onder beide regimes worden belast?
Nee. Het wetsontwerp sluit dubbele belasting uit. Een meerwaarde kan niet gelijktijdig worden belast als meerwaarde op een financieel actief én als divers of beroepsmatig inkomen. Afhankelijk van de kwalificatie van de verrichting is slechts één regime van toepassing.
Bestaat er een vrijstelling voor kleinere meerwaarden?
Ja. Het nieuwe regime voorziet in een jaarlijkse vrijstelling van de belastbare basis van 10.000 euro, geïndexeerd voor aanslagjaar 2027. Onder bepaalde voorwaarden kan deze vrijstelling worden verhoogd door overdracht van ongebruikte vrijstellingen uit vorige jaren, met een absoluut plafond van 15.000 euro. Deze vrijstelling is enkel van toepassing op meerwaarden die onder het nieuwe regime vallen.
Hoe wordt de aanschaffingswaarde van crypto bepaald?
Voor cryptoactiva die vóór 1 januari 2026 werden verworven, geldt de waarde op 31 december 2025 als fiscale aanschaffingswaarde. Voor crypto die nadien wordt aangekocht, geldt de werkelijke aankoopprijs. De wetgever kiest uitdrukkelijk voor de FIFO-methode bij de toerekening van de aanschaffingswaarde wanneer meerdere identieke cryptoactiva werden verworven op verschillende tijdstippen.
Kunnen verliezen op crypto fiscaal worden verrekend?
Gerealiseerde minderwaarden kunnen enkel worden verrekend met gerealiseerde meerwaarden binnen hetzelfde belastbare tijdperk en binnen dezelfde categorie van financiële activa. Verliezen op crypto kunnen dus uitsluitend worden verrekend met winsten op andere cryptoactiva in datzelfde jaar. Overdracht van verliezen naar latere jaren is niet mogelijk.
Verandert er iets aan de fiscale behandeling van mining, staking of DeFi-inkomsten?
Voor dergelijke inkomsten voorziet het wetsontwerp voorlopig geen nieuw specifiek regime. Dit betekent dat de bestaande fiscale kwalificatieregels onverkort van toepassing blijven. Afhankelijk van de concrete omstandigheden kunnen deze inkomsten worden belast als roerend inkomen, divers inkomen of beroepsinkomen.
Zal de invoering van de meerwaardebelasting leiden tot meer fiscale controles?
In de praktijk mag worden verwacht dat de aangifteplicht toeneemt en dat de fiscale administratie meer inzicht krijgt in cryptotransacties. In combinatie met internationale gegevensuitwisseling en datamining zal dit waarschijnlijk leiden tot een toename van fiscale controles en vragen om inlichtingen. Een correcte administratie en onderbouwde aangifte zijn daarom essentieel.
Indien u nog andere vragen hebt over crypto bekijk dan zeker onze Frequently Asked Questions (FAQ)
Christophe Romero Senne Verholle


