Goede huisvader versus speculatie en abnormaal beheer in België (2025–2026)
- Aeacus Lawyers

- 24 apr 2025
- 11 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 5 dagen geleden
Tot en met 2025 gold in het Belgische fiscaal recht het basisprincipe dat gerealiseerde meerwaarden op financiële activa in beginsel niet belastbaar waren wanneer zij voortkomen uit het normale beheer van het privévermogen. Dit klassieke onderscheid, vaak samengevat onder het begrip “goede huisvader”, is ook van toepassing op cryptoactiva. Wie zijn vermogen op een voorzichtige en redelijke wijze beheert, betaalde in principe geen belasting op gerealiseerde meerwaarden, zolang de verrichtingen binnen het normale kader van privébeheer blijven.
Daartegenover staat dat meerwaarden die voortkomen uit verrichtingen buiten het normale beheer van het privévermogen fiscaal kunnen worden gekwalificeerd als diverse inkomsten. Dergelijke winsten zijn vandaag belastbaar aan een afzonderlijk tarief van 33 procent, te vermeerderen met gemeentelijke opcentiemen. In de fiscale praktijk wordt dit vaak aangeduid als “speculatie”, maar juridisch is het centrale begrip het zogenaamde abnormale beheer van het privévermogen.
De invoering van een algemene meerwaardebelasting vanaf 2026 wijzigt dit landschap aanzienlijk, maar bevestigt tegelijk dat het onderscheid tussen normaal beheer enerzijds en speculatie of abnormaal beheer anderzijds ook in de toekomst een centrale rol zal blijven spelen.

Het begrip “goede huisvader” in het Belgische fiscaal recht
De kwalificatie als goede huisvader veronderstelt dat de belastingplichtige handelt als een normale, voorzichtige en redelijke belegger, zonder buitensporige risico’s te nemen en zonder professionele technieken of structuren in te zetten. Het beheer moet duidelijk binnen de privésfeer blijven en mag geen kenmerken vertonen van een beroepsmatige activiteit.
Volgens de fiscale wetgeving omvat normaal beheer handelingen die een goede huisvader zou verrichten om zijn privévermogen te behouden of op verstandige wijze te doen groeien. In dit kader kan eveneens verwezen worden naar een arrest van het hof van beroep te Gent (Hof van beroep - Gent - 5de kamer - Rol nr 2018/AR/1268) waarin staat dat:
“Het normaal beheer van een privévermogen kan worden omschreven als een beheer uitgevoerd door een normale voorzichtige en redelijke persoon, de zogenaamde pater familias. Het is erop gericht om zonder buitensporige risico’s of aanwending van professionele middelen of technieken het privévermogen te behoeden dan wel te doen aangroeien. Of een verrichting al dan niet beantwoordt aan het criterium van het normale beheer van privévermogen moet worden beoordeeld in het licht van het geheel van de feiten. Het hof kan hierbij rekening houden met een groter geheel van verrichtingen waarbinnen de kwestieuze handeling heeft plaatsgevonden. Het bewijs van het bestaan van een voorafgaandelijk stappenplan of van een vooraf bepaalde constructie is niet noodzakelijk vereist.”
Er zijn drie belangrijke voorwaarden voor normaal beheer:
normaal voorzichtig en redelijk persoon: Handelingen moeten aansluiten bij wat als normaal wordt beschouwd binnen het beheer van privévermogen door een normaal voorzichtig en redelijk persoon. Het gaat om verstandige keuzes die passen bij een conservatieve beheerstrategie, zonder buitensporige risico.
Privé-vermogen: Het vermogen moet losstaan van beroepsactiviteiten. Winsten die voortkomen uit professioneel gebruik van crypto – bijvoorbeeld door bedrijven – kunnen belast worden als beroepsinkomsten. Er mogen bijgevolg geen professionele middelen of technieken worden gebruikt.
Geheel van de feiten: er moet steeds rekening gehouden worden met alle relevante feiten om te beoordelen of er sprake is van normaal beheer. Dit maakt een analyse van verrichtingen in het kader van het beheer als een goede huisvader zo moeilijk. Dit aangezien elke situatie anders is en elke situatie bijgevolg afzonderlijk dient te worden beoordeeld.
Typische kenmerken van normaal beheer bij crypto
In de context van crypto betekent dit doorgaans dat een belegger investeert met eigen middelen, een langetermijnstrategie hanteert, en slechts een beperkt deel van het totale roerende vermogen blootstelt aan volatiele activa. Ook het type activa speelt hierbij een rol. Investeringen in gevestigde cryptoactiva binnen een buy-and-hold benadering zullen sneller als normaal beheer worden beschouwd dan agressieve posities in uiterst speculatieve tokens. Tot en met 31 december 2025 blijven meerwaarden die binnen dit kader worden gerealiseerd in beginsel vrijgesteld van belasting.
Het is mogelijk dat speculatie en normaal beheer elkaar overlappen. Het hedendaagse vermogensbeheer vereist vaak meer kennis en advies, wat betekent dat een zekere mate van risico en zelfs speculatief inzicht acceptabel kan zijn. Voor crypto kan dit betekenen dat enkele beperkte frequente transacties of speculeren op koersschommelingen niet noodzakelijkerwijs speculatief zijn, zolang deze activiteiten passen binnen een logisch beheer van het vermogen.
Een belangrijke kanttekening is dat uitzonderlijke omstandigheden – zoals grote financiële risico’s, omvangrijke leningen of een handelspatroon dat meer wegheeft van een winstgevende activiteit – het beheer buiten de grenzen van normaal beheer kunnen brengen.
Op 9 mei 2000 vroeg de heer Van Quickenborne naar de belasting op speculatieve inkomsten en de interpretatie van "abnormale speculatieve voornemens". De minister van Financiën stelde dat speculatie wordt gekenmerkt door risicovolle transacties met kans op hoge winst of verlies. Factoren zoals korte aanhoudingsperiode, financiering met geleend geld en een wanverhouding tussen investering en privévermogen kunnen hierop wijzen. Herhaalde speculatieve handelingen worden eerder als beroepsinkomsten belast. Elke situatie vereist echter een individuele beoordeling.
De praktijk van de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB)
Hoewel het onderscheid tussen normaal beheer en abnormaal beheer in de wet zelf slechts beperkt wordt gedefinieerd, speelt de praktijk van de Dienst Voorafgaande Beslissingen een bijzonder belangrijke rol in de beoordeling van crypto-meerwaarden. In verschillende rulingdossiers heeft de DVB bevestigd dat crypto-investeringen in principe onder het regime van normaal beheer kunnen vallen, maar telkens op basis van een concrete analyse van de feiten en omstandigheden.
De DVB-vragenlijst in de praktijk
In de praktijk hanteert de DVB daarbij een zeer herkenbare methodiek. Belastingplichtigen die een ruling aanvragen, worden vrijwel systematisch geconfronteerd met een uitgebreide vragenlijst waarin onder meer wordt gepeild naar de oorsprong van het geïnvesteerde vermogen, de omvang van de portefeuille in verhouding tot het totale privévermogen, de gehanteerde beleggingsstrategie, de frequentie van de verrichtingen, het gebruik van externe financiering en de eventuele inzet van professionele of geautomatiseerde tools. De belangrijkste elementen zijn samengevat:
Frequentie van transacties: Hoge handelsfrequenties en het tijdsverloop tussen de transacties wijzen vaak op speculatie.
Beleggingsstrategie: Een "buy-and-hold"-strategie, waarbij crypto voor langere tijd wordt aangehouden, wordt sneller als normaal beheer geaccepteerd. Indien meer complexe investeringsstrategieën worden gevolgd kan dit wijzen op abnormaal beheer.
Financiering: Investeringen met eigen middelen zijn makkelijker verdedigbaar dan transacties gefinancierd door leningen.
Risico's: Het nemen van buitensporige risico's kan wijzen op abnormaal beheer.
Intentie van de belegger: Wordt de markt betreden voor korte termijnwinsten of voor het opbouwen van vermogen?
Proportie van het vermogen: De Dienst Voorafgaande Beslissingen wenst geen rulings af te leveren voor normaal beheer als meer dan 25% van het roerend vermogen in cryptomunten is. De grens van 25% roerend vermogen in cryptomunten, gehanteerd door de Dienst Voorafgaande Beslissingen, lijkt ons arbitrair en zou bij een fiscale controle geen rol mogen spelen. Het is onredelijk om van een belastingplichtige te verlangen zijn volledige vermogen bloot te geven aan de fiscale administratie.
Het archetype van een goede huisvader is bijgevolg een persoon die een beperkt deel van zijn vermogen (bij voorkeur minder dan 25%) zonder enige schuldfinanciering gaat beleggen in crypto voor een langere periode.
Deze DVB-praktijk is bijzonder relevant omdat zij aantoont dat de fiscale kwalificatie van crypto-investeringen reeds vóór 2026 sterk dossiergedreven is. De invoering van de nieuwe meerwaardebelasting verandert daar in wezen weinig aan. Ook onder het toekomstige regime zal de beoordeling van het speculatieve of abnormale karakter van verrichtingen afhangen van dezelfde parameters, zij het met aanzienlijk grotere fiscale en praktische gevolgen.
Abnormaal beheer van het privévermogen en speculatie: de kern van het 33%-regime
In de fiscale praktijk wordt vaak gesproken over “speculatie” of over het begrip “abnormaal beheer van het privévermogen”. Het Belgische Wetboek Inkomstenbelastingen belast meerwaarden immers als diverse inkomsten wanneer zij voortkomen uit verrichtingen die buiten het normale beheer van het privévermogen vallen.
Speculatie als feitelijke invulling van abnormaal beheer
Abnormaal beheer is dus de juridische categorie die aanleiding geeft tot taxatie aan 33 procent, vermeerderd met gemeentelijke opcentiemen. Speculatie is daarbij een vaak voorkomende feitelijke invulling, maar niet noodzakelijk het enige element. Ook verrichtingen die niet louter “speculatief” aanvoelen, kunnen toch als abnormaal beheer worden beschouwd wanneer zij objectief een buitensporig of niet-privaat karakter vertonen.
Criteria die in de praktijk aanleiding geven tot discussie
In de context van crypto betekent dit dat de fiscale beoordeling niet uitsluitend afhangt van de vraag of iemand “snel winst wilde maken”, maar ruimer van de vraag of het geheel van de verrichtingen nog past binnen het gedrag van een normale privébelegger. Abnormaal beheer kan onder meer blijken uit een hoge transactiefrequentie, korte aanhoudingsperiodes, het gebruik van hefboomwerking of externe financiering, de inzet van geautomatiseerde tradingsoftware, of een disproportionele blootstelling van het privévermogen aan cryptoactiva.
Het onderscheid tussen normaal beheer enerzijds en speculatie of abnormaal beheer anderzijds blijft tot op heden één van de belangrijkste bronnen van fiscale onzekerheid voor cryptobeleggers. De kwalificatie gebeurt immers steeds op basis van alle feiten en omstandigheden samen, waardoor een beoordeling dossier per dossier noodzakelijk blijft.
Evolutie richting 2026: van vrijstelling naar algemene meerwaardebelasting
Met het oog op de invoering van een algemene meerwaardebelasting vanaf 1 januari 2026 werd aanvankelijk overwogen om het onderscheid tussen normaal beheer en abnormaal beheer volledig te schrappen. In de oorspronkelijke ontwerpteksten werd immers expliciet gesteld dat de nieuwe heffing van 10 procent zou gelden als lex specialis, waardoor alle meerwaarden op financiële activa binnen het toepassingsgebied onder het uniforme tarief zouden vallen, ongeacht hun speculatief karakter, behalve wanneer zij beroepsmatig werden gerealiseerd.
Van uniforme heffing naar behoud van het onderscheid
Deze eenvoudige harmonisatie heeft het uiteindelijk niet gehaald. Onder politieke druk werd beslist het klassieke onderscheid te behouden. Volgens het finale akkoord blijven meerwaarden die voortkomen uit speculatie of abnormaal beheer onderworpen aan het tarief van 33 procent, terwijl niet-abnormale meerwaarden voortaan onder de nieuwe heffing van 10 procent zullen vallen.
De hervorming leidt dus niet tot de afschaffing van het bestaande kader, maar eerder tot een bijkomend regime bovenop de bestaande kwalificatieregels.
Meer controle op crypto vanaf 2026?
Deze hervorming roept bovendien onvermijdelijk de vraag op of de fiscale administratie hiermee niet als het ware “de kat bij de melk wordt gezet”. Vanaf 2026 zal immers niet alleen een nieuw belastingregime van toepassing zijn, maar zullen ook de rapporteringsverplichtingen en gegevensstromen rond cryptoactiva aanzienlijk toenemen. In combinatie met internationale gegevensuitwisseling, DAC8-rapportering en de inzet van datamining zal de fiscus steeds beter kunnen identificeren welke belastingplichtigen cryptoactiva aanhouden, welke platformen worden gebruikt en of gerealiseerde inkomsten correct werden aangegeven. Het ligt dan ook voor de hand dat dit in de praktijk kan leiden tot bijkomende informatievragen en een toename van fiscale controles, ook bij beleggers die menen binnen het normale beheer van het privévermogen te handelen.
Tegen die achtergrond is het relevant dat minister van Financiën Jan Jambon in de Kamercommissie Financiën benadrukte dat de kwalificatie als abnormaal beheer slechts uitzonderlijk aan de orde zou zijn en dat het nieuwe regime niet bedoeld is om cryptobeleggers systematisch onder het tarief van 33 procent te brengen.
Parlementaire verduidelijking: “abnormaal beheer” blijft uitzonderlijk
In de Kamercommissie Financiën heeft minister van Financiën Jan Jambon gereageerd op de ongerustheid bij cryptobeleggers dat de komst van de meerwaardebelasting vanaf 2026 zou leiden tot een massale herkwalificatie van crypto-transacties als abnormaal beheer. De Tijd berichtte hierover op 27 januari 2026 dat de minister verwacht dat slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn van abnormaal beheer.
Bewijslast bij de fiscus volgens de minister
De minister benadrukte dat het ook onder het nieuwe regime aan de fiscale administratie blijft om met voldoende bewijsmateriaal aan te tonen dat een gerealiseerde meerwaarde voortkomt uit verrichtingen buiten het normale beheer van het privévermogen. Er werd daarbij eveneens bevestigd dat dit een aanzienlijke bewijslast vormt die op de schouders van de fiscus rust.
Volgens Jambon kan slechts sprake zijn van abnormaal beheer wanneer tegelijk aan verschillende criteria is voldaan, zoals het percentage van het roerend vermogen dat in crypto werd belegd, het gebruik van geleend geld, de inzet van geautomatiseerde software en het aantal uitgevoerde transacties.
Hoewel deze parlementaire toelichting geruststellend kan klinken, biedt zij op zichzelf geen volledige rechtszekerheid. De kwalificatie blijft afhankelijk van de concrete omstandigheden van elk dossier en verdere administratieve richtlijnen zullen noodzakelijk zijn om het onderscheid in de praktijk werkbaar af te bakenen. Uiteindelijk zal moeten worden afgewacht hoe de fiscale administratie deze criteria concreet zal toepassen in controles en geschillen, en in welke mate zij effectief terughoudend zal omgaan met herkwalificaties naar abnormaal beheer. De komende jaren zullen dan ook bepalend zijn voor de feitelijke draagwijdte van het onderscheid tussen normaal beheer en speculatie onder het nieuwe regime.
Deel speculatief en deel normaal beheer?
Veel cliënten investeren een aanzienlijk deel van hun portefeuille op lange termijn in activa die passen binnen het normaal beheer van privévermogen. Daarnaast wordt soms een kleiner deel toegewezen aan speculatieve beleggingen, zoals zogenaamde “memecoins.” Een veelgestelde vraag is of dergelijke speculatieve transacties de fiscale kwalificatie van de lange termijn en eerder conservatieve beleggingen kunnen aantasten.
De Dienst Voorafgaande Beslissingen vertrekt daarbij van een zeer strikte benadering, waarbij zelfs één uitgesproken speculatieve transactie volstaat om de volledige cryptoportefeuille als speculatief te beschouwen. Het standpunt van ons kantoor is dat deze benadering te ver gaat. Naar onze mening moet elke transactie afzonderlijk worden beoordeeld op haar eigen aard en context, zonder automatisch gevolgen te koppelen aan andere verrichtingen binnen dezelfde portefeuille. Dat neemt niet weg dat een opeenstapeling van frequente en duidelijk speculatieve transacties in de praktijk wel een negatieve invloed kan hebben op de globale beoordeling door de fiscale administratie. Dit risico stelt zich vooral wanneer intensieve handel in speculatieve activa het algemene beeld van normaal beheer ondergraaft.
Om een zo'n sterk mogelijk fiscaal dossier te hebben, raden wij aan om speculatieve transacties strikt gescheiden te houden van lange termijn beleggingen. Dit kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van afzonderlijke portefeuilles bij verschillende exchanges, zoals Bitvavo voor speculatieve transacties en Kraken voor buy-and-hold strategieën. Een duidelijke scheiding helpt niet alleen bij de fiscale bewijsvoering, maar biedt ook meer overzicht en controle over de beleggingsstrategie.
Ruling als enige optie voor rechtszekerheid
Gezien de complexe aard van de fiscale behandeling van crypto, biedt een ruling de enige zekerheid over hoe de fiscus een specifieke situatie zal beoordelen. De rulingdienst heeft sinds 2017 verschillende aanvragen beoordeeld en criteria opgesteld die richtinggevend zijn. De rulingdienst heeft echter een conservatieve houding en weigert vaak aanvragen waarbij een van deze criteria wordt geschonden. Zo werd in meerdere gevallen vastgesteld dat het overschrijden van de 25%-grens voldoende was om de inkomsten als belastbaar te kwalificeren.
Praktische gevolgen en voorbereiding voor cryptobeleggers
De hervorming vanaf 2026 zal in de praktijk leiden tot verhoogde aangifteverplichtingen, meer rapportering en een grotere kans op fiscale controles en informatievragen. Cryptobeleggers doen er daarom verstandig aan om hun transacties systematisch te documenteren en de oorsprong van hun vermogen sluitend te kunnen aantonen.
Het fotomoment van 31 december 2025
Een essentieel element van de hervorming is het zogenaamde fotomoment op 31 december 2025. Voor cryptoactiva die reeds vóór 1 januari 2026 werden verworven, zal de waarde op deze datum in principe als fiscale aanschaffingswaarde gelden. Dit betekent dat historische meerwaarden die tot eind 2025 zijn opgebouwd, in beginsel buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting blijven, terwijl enkel de meerwaarde die nadien wordt gerealiseerd nog belastbaar kan zijn. In de praktijk wordt het daarom bijzonder belangrijk om tijdig te kunnen aantonen welke cryptoactiva op 31 december 2025 werden aangehouden en welke waarde daaraan op dat moment kan worden toegekend.
Aangifte en rapportering vanaf 2026
Vanaf 2026 zal de invoering van de meerwaardebelasting onvermijdelijk leiden tot bijkomende aangifteverplichtingen en een grotere administratieve opvolging van cryptoactiva. Waar meerwaarden binnen het normale beheer van het privévermogen tot en met 2025 in beginsel niet belastbaar waren, zullen gerealiseerde meerwaarden vanaf 2026 in principe binnen het nieuwe regime moeten worden verwerkt. Daarnaast blijven inkomsten uit crypto die vandaag reeds als roerende, diverse of beroepsinkomsten kunnen worden gekwalificeerd, onderworpen aan de bestaande aangifte- en belastingregels. In combinatie met DAC8-rapportering, het Centraal Aanspreekpunt en datamining zal de fiscale administratie bovendien over aanzienlijk meer informatie beschikken, waardoor correcte documentatie en transparantie steeds belangrijker worden.
Rechtszekerheid blijft beperkt
Hoewel het nieuwe regime een algemeen tarief invoert, blijft het onderscheid tussen normaal beheer en abnormaal beheer een feitenkwestie. De komende jaren zullen daarom vermoedelijk gekenmerkt worden door bijkomende discussies, controles en interpretatievragen.
Conclusie
Het Belgische fiscale kader voor crypto blijft ook na de invoering van de meerwaardebelasting vanaf 2026 in belangrijke mate steunen op het onderscheid tussen normaal beheer enerzijds en speculatie of abnormaal beheer anderzijds. Voorzichtig langetermijnbeheer blijft in principe onderworpen aan het nieuwe tarief van 10 procent, terwijl meerwaarden die voortkomen uit abnormaal beheer belastbaar blijven aan 33 procent.
De bewijslast voor abnormaal beheer rust formeel op de fiscus, maar de onzekerheid voor belastingplichtigen blijft bestaan. Een goed onderbouwd dossier en een transparante aanpak worden daarom essentieel in het nieuwe fiscale tijdperk voor cryptoactiva.
Christophe Romero Senne Verholle


