top of page

Een oproep tot intellectuele eerlijkheid: niet elke crypto-opbrengst móét belastbaar zijn

Opinie

Crypto wordt nog steeds stiefmoederlijk behandeld. Ook in de fiscaliteit. Nergens wordt dat volgens ons duidelijker dan bij de haast waarmee wordt aangenomen dat inkomsten uit cryptoen meer specifiek onchain staking noodzakelijk belastbaar moeten zijn. Ons standpunt is nochtans duidelijk: bij native onchain staking zijn de wettelijke voorwaarden om de rewards als roerend inkomen te belasten volgens ons niet vervuld en zijn deze inkomsten op basis van de huidige fiscale wetgeving dan ook niet belastbaar.

Laat ons meteen verduidelijken waar het ons in deze bijdrage om gaat. Wat ons stoort, is niet dat de DVB, fiscale controleurs of de BBI standpunten innemen over de fiscale behandeling van crypto. Dat is uiteraard hun taak. Wat ons wél stoort, is de vanzelfsprekendheid waarmee bepaalde standpunten soms worden ingenomen en vervolgens herhaald, zonder dat nog grondig wordt onderzocht of daarvoor een voldoende juridische grondslag bestaat. Een administratief standpunt, een voorafgaande beslissing of een gangbare praktijk kan een juridische analyse niet vervangen. Eerst moeten de feiten correct worden vastgesteld en vervolgens moet worden onderzocht of de wettelijke voorwaarden daadwerkelijk vervuld zijn. Pas daarna kan de fiscale conclusie volgen.

Het schoolvoorbeeld is voorafgaande beslissing nr. 2025.0061 van 18 maart 2025. Sindsdien horen wij de daarin gevolgde redenering terug bij quasi iedere controleur waarmee we over staking spreken. Ook onder fiscalisten wordt het standpunt opvallend gemakkelijk overgenomen. Wat daarbij vooral stoort, is dat de conclusie vaak wordt herhaald zonder enige inhoudelijke motivering of kritische toetsing van de redenering waarop zij steunt. De voorafgaande beslissing lijkt zo stilaan van een individueel standpunt te evolueren naar een fiscale evidentie, terwijl net de juridische en feitelijke fundamenten ervan bijzonder discutabel zijn.

Het probleem begint al bij de feiten

De Dienst Voorafgaande Beslissingen omschrijft staking als volgt:

Staken' van cryptomunten houdt in principe in dat investeerders cryptomunten, waarvan het 'stakingproces' wordt ondersteund, vastzetten in een bepaald contract, of simpelweg op een exchange en als beloning hiervoor periodiek worden uitbetaald.

Alleen al de woorden "in principe" zouden hier alarmbellen moeten doen afgaan voor een fiscale analyse. Native onchain staking is niet simpelweg het vastzetten van cryptomunten in ruil voor een periodieke vergoeding.

De stake geeft een validator de mogelijkheid om deel te nemen aan het consensusmechanisme en functioneert daarbij als economische waarborg. Het vastzetten van de cryptomunten creëert op zichzelf geen periodieke schuldvordering op een tegenpartij.

De validator ontvangt rewards volgens de regels van het protocol voor zijn deelname aan het validatieproces. Daarbij moet een fundamenteel onderscheid worden gemaakt tussen het staken van de cryptomunten en het valideren van transacties. Het staken zelf levert niet simpelweg een vergoeding op omdat de munten gedurende een bepaalde tijd worden vastgezet. De stake vormt de voorwaarde om aan het validatieproces te mogen deelnemen en tegelijk de economische waarborg voor correct gedrag. De rewards houden daarentegen verband met de deelname aan het consensus en validatieproces. Het ene, het staken, maakt het andere, het valideren, mogelijk. Beide met elkaar vereenzelvigen is precies waar de analyse van de DVB volgens ons ontspoort.

Dat onderscheid is belangrijk voor de fiscale kwalificatie. De DVB lijkt er bovendien van uit te gaan dat het staken van cryptomunten als dusdanig recht geeft op periodieke vergoedingen. Ook dat is een te eenvoudige voorstelling van wat technisch gebeurt. Bij native onchain staking ontstaat niet louter door het verstrijken van de tijd een periodieke betalingsverplichting ten laste van enige tegenpartij. Rewards ontstaan binnen het validatieproces, onder meer wanneer een validator overeenkomstig de regels van het protocol een nieuw blok voorstelt en valideert.

Wie technisch nog een stap verder gaat, ziet hoe moeilijk de klassieke voorstelling van een "vergoeding" wordt. De validator die een nieuw blok voorstelt, neemt overeenkomstig de protocolregels in dat blok zelf de toekenning van de nieuwe munten op. Er is dus geen andere persoon die vanuit zijn vermogen een vergoeding aan de validator betaalt. De nieuwe munten ontstaan en worden toegekend door de werking van het protocol zelf. Meer specifiek vaak door de validator toegekend aan zichzelf. Dat staat bijzonder ver van het klassieke beeld van een schuldenaar die periodiek een vergoeding betaalt voor het genot van het kapitaal van iemand anders.

Wanneer de feitelijke analyse verkeerd begint, hoeft het niet te verbazen dat ook de juridische kwalificatie vragen oproept.

"Het vertoont de meeste overeenkomsten met interest"

De DVB is van oordeel dat staking rewards "de meeste overeenkomsten vertonen met interesten". De staker zou zijn munten ter beschikking stellen van het netwerk en daarvoor rewards verkrijgen, analoog aan iemand die kapitaal uitleent en daarvoor interest ontvangt. Maar die analogie roept meer vragen op dan ze beantwoordt.

  • Aan wie worden die munten ter beschikking gesteld?

  • Wie krijgt het genot van het kapitaal?

  • Wie is de schuldenaar?

  • Waar is de overeenkomst waarbij iemand zich ertoe verbindt het kapitaal terug te geven en daarvoor een vergoeding te betalen?

Daarnaast worden de ontwikkelaars van het protocol naar voren geschoven als mogelijke tegenpartij. Maar ook dat roept fundamentele vragen op. Wie zijn precies die ontwikkelaars? Welke juridische verhouding bestaat er tussen hen en de validator? Is met hen daadwerkelijk een overeenkomst gesloten over het genot van de gestakete cryptomunten? En wat bijvoorbeeld bij een fork, waarbij niet de oorspronkelijke ontwikkelaars maar de community beslist een andere richting uit te gaan? Louter stellen dat "de ontwikkelaars" als tegenpartij optreden, lijkt ons dan ook bijzonder moeilijk vol te houden. Zeker wanneer op Europees niveau voor btwdoeleinden net het ontbreken van een identificeerbare tegenpartij als een wezenlijk element in de analyse naar voren komt.

Allemaal vragen die niet worden beantwoord. Nochtans zou men dit mogen verwachten voor een beslissing die voor (honderd)duizenden mensen zware fiscale implicaties heeft.

Een protocol is niet zomaar een schuldenaar. Het feit dat code onder bepaalde voorwaarden de creatie en toekenning van nieuwe cryptomunten mogelijk maakt, maakt die code nog niet tot een tegenpartij die het genot heeft gekregen van het vermogen van de validator. Integendeel, bij bepaalde vormen van native onchain staking is het technisch zelfs de validator zelf die, bij het voorstellen van een nieuw blok, overeenkomstig de protocolregels de reward aan zichzelf toekent. Er is dus geen derde die vanuit zijn vermogen een vergoeding betaalt of zich tegenover de validator tot betaling heeft verbonden. Ons inziens vertoont dit veeleer de kenmerken van een eenzijdige toekenning, voor zover hier juridisch überhaupt van een rechtshandeling kan worden gesproken, dan van een vergoeding betaald door een schuldenaar aan zijn schuldeiser.

Zoals de DVB zelf aanhaalt, worden interesten klassiek begrepen als de door een schuldenaar betaalde prijs voor het genot van kapitaal, zoals overeengekomen met degene die dat kapitaal heeft belegd of geïnvesteerd. Bewerken Maar bij native onchain staking is die verhouding ons inziens niet terug te vinden. Laat staan dat het protocol het genot zou hebben van de gestakete cryptomunten.

Het netwerk krijgt niet het genot van de gestakete cryptomunten. Die cryptomunten functioneren in essentie als waarborg binnen het consensusmechanisme.

Interactie met een protocol is nog geen overeenkomst

De andere vraag is waar de overeenkomst zich bevindt waarop de DVB haar redenering steunt.

De DVB verwijst zelf naar Com.IB 17/1.1. Volgens die administratieve commentaar moeten de belastbare opbrengsten het voorwerp zijn van een overeenkomst over de beschikking van het roerend goed. De inkomsten vormen daarbij de door een schuldenaar betaalde prijs voor het genot van het kapitaal.

Bij native onchain staking is het bestaan van een dergelijke overeenkomst allesbehalve evident. De DVB stelt dat de staker via blockchaintechnologie met het protocol "interageert". Maar een technische interactie met een protocol is nog geen overeenkomst. Het feit dat een validator de regels van een protocol volgt, cryptomunten als stake vastzet en daardoor in aanmerking komt voor rewards, toont niet aan dat met een andere partij een overeenkomst over de beschikking van die cryptomunten wordt gesloten.

Ook hier is het eigen btw-standpunt van de administratie moeilijk te negeren. Voor mining stelt zij uitdrukkelijk dat "er geen juridische relatie [is] tussen de 'miner' en het cryptomunten-netwerk". Zij maakt daarbij bovendien een uitdrukkelijk onderscheid met de situatie waarin een miner wél "een overeenkomst onder bezwarende titel heeft gesloten met een andere partij" en daarvoor een contractueel bepaalde vergoeding ontvangt. De administratie erkent voor de btw dus zelf dat deelname aan een gedecentraliseerd consensusmechanisme en het ontvangen van protocol rewards niet noodzakelijk het bestaan van een overeenkomst met het netwerk impliceren.

Bovendien fungeren de gestakete cryptomunten als economische waarborg voor deelname aan het consensusmechanisme. Daaruit volgt niet zonder meer dat een andere partij het genot van die cryptomunten verkrijgt. De DVB stelt zelf dat gebruikers worden vergoed "voor hun bijdrage aan de validatie van deze transacties". Als de reward wordt verkregen voor deelname aan het validatieproces, moet minstens worden uitgelegd waarom die reward tegelijk de prijs zou vormen voor het genot van het gestakete kapitaal.

Een verwijzing naar een "interactie" met een protocol volstaat daarvoor volgens ons niet.

Maar wie is dan de tegenpartij?

Daarmee komen we bij een tweede probleem. Zelfs indien men zou aannemen dat een overeenkomst bestaat, moet nog kunnen worden geïdentificeerd met wie die overeenkomst wordt gesloten en wie de schuldenaar is die de vergoeding betaalt.

Ook daar blijft het antwoord van de DVB vaag. Zij verwijst naar "het protocol" en in een eerdere voorafgaande beslissing zelfs naar de ontwikkelaars van de blockchain. Maar een gedecentraliseerd protocol is niet zonder meer een rechtssubject of schuldenaar. Evenmin is duidelijk waarom de ontwikkelaars juridisch partij zouden zijn bij iedere stakingactiviteit op het netwerk.

Opvallend genoeg erkent de Belgische fiscale administratie die moeilijkheid zelf voor btw-doeleinden. Over mining stelt zij uitdrukkelijk:

"Kenmerkend bij mining is vaak dat de tegenpartij niet gekend is. Evenmin is er een juridische relatie tussen de 'miner' en het cryptomunten-netwerk."

Volgens diezelfde commentaar worden miners bovendien niet vergoed door de partijen bij de transacties die zij valideren, maar door "het systeem dat zichzelf beheert".

De btw-regels bepalen uiteraard niet de toepassing van de inkomstenbelasting. Maar het standpunt toont wel aan dat bij gedecentraliseerde blockchainvalidatie het bestaan van een tegenpartij en juridische relatie met het netwerk allerminst vanzelfsprekend is. Mining en staking zijn technisch verschillend, maar vervullen binnen respectievelijk Proof of Work en Proof of Stake een vergelijkbare functie in het consensus- en validatieproces.

Waarom bij mining geen juridische relatie met het netwerk bestaat, maar bij native staking voor de inkomstenbelasting plots wel een tegenpartij of schuldenaar kan worden gevonden in "het protocol" of de ontwikkelaars ervan, verdient dan ook minstens een juridische verklaring.

Precies die verklaring ontbreekt volgens ons.

Staking is geen risicoloze terbeschikkingstelling van kapitaal

Ook op een ander punt loopt de vergelijking met interest mank. De administratieve commentaar omschrijft de door artikel 19 WIB 92 geviseerde verrichtingen als verrichtingen waaraan "omzeggens geen risico" is verbonden en waarbij de ene partij een som afstaat en de andere zich ertoe verbindt later een hogere som terug te geven. Leg die omschrijving naast native onchain staking en het contrast is moeilijk te negeren.

Bij staking is risico net ingebakken in het systeem. De stake functioneert als economische waarborg voor correct gedrag. Bij Proof of Stake protocollen wordt foutief gedrag bestraft met het verlies van een gedeelte van de stake, het zogenaamde "slashing". Dat risico is geen toevallig neveneffect, maar een essentieel en basisonderdeel van het consensusmechanisme.

Geen klassieke schuldenaar, geen klassieke lening, geen gegarandeerde vergoeding, geen overeengekomen terugbetalingsmoment en vermogen dat net als waarborg wordt ingezet en onder bepaalde omstandigheden verloren kan gaan. Maar toch zou staking "de meeste overeenkomsten" vertonen met interest. Die conclusie is volgens ons veel minder vanzelfsprekend dan de DVB laat uitschijnen.

Eerst belastbaar, daarna zoeken waarom?

En daarmee komen we bij het werkelijke probleem. De indruk ontstaat dat de analyse niet begint met de vraag wat staking technisch en juridisch precies is, maar met een veel eenvoudigere premisse: staking rewards moeten belastbaar zijn. Vervolgens wordt gezocht naar de fiscale categorie waarin ze kunnen worden ondergebracht. Dat is de wereld op zijn kop.

Een fiscale analyse hoort precies omgekeerd te verlopen. Eerst worden de feiten vastgesteld: wat doet de validator precies, wat gebeurt met de gestakete cryptomunten, wie kan erover beschikken, bestaat er een overeenkomst of tegenpartij en waaruit ontstaat de reward? Pas daarna komt de fiscale vraag welke wettelijke bepaling deze concrete inkomsten belastbaar maakt. Niet eerst besluiten dat iets belastbaar moet zijn en vervolgens zoeken naar de minst onaannemelijke kwalificatie.

"meeste overeenkomsten vertonen met" is geen belastbare categorie

De formulering van de DVB is op zichzelf al veelzeggend: "De DVB is van oordeel dat inkomsten uit 'staking' de meeste overeenkomsten vertonen met interesten. Het 'staken' van cryptomunten is namelijk een eerder passieve bezigheid."

Maar "de meeste overeenkomsten vertonen met" is geen belastbare categorie. Dit is geen academische semantiek, maar raakt rechtstreeks aan het fiscale legaliteitsbeginsel. Artikel 170, § 1 van de Grondwet bepaalt dat geen belasting ten behoeve van de Staat kan worden ingevoerd dan door een wet. Het volstaat dan ook niet vast te stellen dat een nieuw economisch fenomeen het meest lijkt op een bestaande categorie. De wettelijke voorwaarden van die categorie moeten daadwerkelijk vervuld zijn.

Dat betekent uiteraard niet dat voor iedere technologische innovatie een nieuwe fiscale bepaling nodig is. Bestaande belastingregels kunnen perfect worden toegepast op nieuwe economische fenomenen. Technologische neutraliteit kan echter geen vrijgeleide zijn om de voorwaarden van een belastbare categorie op te rekken totdat een nieuw fenomeen er min of meer in past.

Die kritiek is overigens niet nieuw. Professor Michel Maus wees hier reeds in 2023 op en stelde uitdrukkelijk de vraag of een kwalificatie naar analogie juridisch wel standhoudt (P. VAN VELTHOVEN, M. MAUS en J.P. VAN WEST, “Belastingen in de metaverse”, T.F.R. 2023, afl. 636, 147). Artikel 17 WIB 92 bevat immers een limitatieve opsomming van de opbrengsten van roerend vermogen die als roerend inkomen belastbaar zijn. Zijn conclusie was dan ook scherp: "En vermits inkomsten uit staking van cryptomunten niet zijn opgenomen in deze wettelijke opsomming kunnen ze niet beschouwd worden als roerende inkomsten." Het debat over staking gaat dus niet enkel over de vraag op welke bestaande categorie staking het meest lijkt, maar eerst en vooral over de fundamentelere vraag of de wet überhaupt toelaat om staking rewards via een dergelijke analogieredenering als roerend inkomen te belasten.

En als roerend inkomen niet lukt, dan maar divers inkomen?

Dezelfde reflex zien we overigens niet alleen bij staking. Ook bij de kwalificatie van cryptomeerwaarden als diverse inkomsten lijkt soms de gedachte te leven dat crypto hoe dan ook belast moet worden. Dat is des te opmerkelijker sinds de invoering van de nieuwe meerwaardebelasting. De minister van Financiën heeft daarbij uitdrukkelijk benadrukt dat een cryptobelegger niet automatisch een speculant is, dat iedere situatie op basis van de concrete feiten moet worden beoordeeld en dat abnormaal beheer slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde zou zijn.

Onze ervaring tijdens fiscale controles staat daar jammer genoeg nog geregeld haaks op. Gelukkig stellen we vast dat steeds meer controleurs, en zeker binnen de BBI, inmiddels een grondige kennis van crypto hebben opgebouwd en wel degelijk oog hebben voor de concrete feiten en nuances van ieder dossier. Tegelijk worden we nog te vaak geconfronteerd met controles waarbij cryptomeerwaarden haast automatisch als diverse inkomsten worden benaderd en het vervolgens aan de belastingplichtige is om aan te tonen waarom dat niet het geval zou zijn. Zelfs wanneer daarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar het standpunt van de minister en naar de bewijslast die op de administratie rust, lijkt dat uitgangspunt soms weinig gewicht te krijgen. Zo wordt de redenering in de praktijk opnieuw omgekeerd: niet de administratie toont aan waarom sprake is van speculatie of abnormaal beheer, maar de belastingplichtige moet bewijzen waarom zijn cryptobeleggingen een normaal beheer uitmaken. Ook daar lijkt de premisse soms te zijn dat crypto belastbaar is, tenzij de belastingplichtige het tegendeel bewijst.

En dan zijn er nog de buitenlandse cryptorekeningen

Dezelfde intellectuele eerlijkheid is nodig bij de discussie over de aangifte van cryptorekeningen als buitenlandse rekeningen. In fiscale controles zien wij regelmatig dat de administratie het niet vermelden van historische rekeningen bij buitenlandse crypto-exchanges aangrijpt om fraude in te roepen en zo de verlengde aanslagtermijn toe te passen.

Ook daar mag de conclusie niet aan de juridische analyse voorafgaan. Tot op heden is het allerminst zeker dat een rekening bij een crypto-exchange moet worden beschouwd als een buitenlandse rekening bij een bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling in de zin van artikel 307 WIB 92. Cryptorekeningen worden niet uitdrukkelijk door de wet geviseerd en er bestaan sterke juridische argumenten om te betwisten dat iedere buitenlandse crypto-exchange zonder meer onder die begrippen kan worden gebracht. Zelfs vandaag koppelt het CAP de meldingsplicht uitdrukkelijk aan de voorwaarde dat de cryptorekening wordt aangehouden bij een buitenlandse bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling.

Dat is des te relevanter voor oude dossiers. Wie jaren geleden een account op een crypto-exchange opende, deed dat in een periode waarin nauwelijks iemand zich bewust was van een mogelijke CAP- of aangifteplicht voor dergelijke accounts en waarin de wettelijke kwalificatie ervan allesbehalve evident was. Vandaag met terugwerkende kracht aannemen dat het niet aangeven daarvan niet alleen een inbreuk vormde, maar bovendien getuigt van bedrieglijk opzet, met toepassing van de fraudetermijn tot gevolg, verdient dan ook een bijzonder grondige juridische analyse.

Ook hier valt de vanzelfsprekendheid op waarmee het standpunt soms wordt ingenomen. Er wordt gesteld dat een rekening bij een buitenlandse crypto-exchange een buitenlandse rekening in de zin van artikel 307 WIB 92 is, zonder dat daarbij juridisch wordt beargumenteerd waarom. Er wordt gewoon gesteld dat het zo is. Nochtans is precies dat de vraag die eerst moet worden beantwoord. Een administratief standpunt wordt niet juridisch juist door het zonder verdere motivering als een evidentie voor te stellen. Eerst moeten de toepasselijke wetgeving, de aard en activiteiten van de betrokken exchange worden onderzocht. Pas daarna kan worden besloten of überhaupt een aangifteplicht bestaat. En pas wanneer die vraag bevestigend wordt beantwoord, kan worden onderzocht welke gevolgen aan een eventuele niet-aangifte kunnen worden verbonden, laat staan dat daaruit zonder meer bedrieglijk opzet zou kunnen worden afgeleid.

Een oproep tot intellectuele eerlijkheid

Voor alle duidelijkheid: dit is geen principieel pleidooi tegen de belasting van staking rewards als roerend inkomen, hoewel wij van oordeel zijn dat bij de meeste vormen van staking, en in het bijzonder bij native onchain staking, de wettelijke voorwaarden voor een belasting als roerend inkomen eenvoudigweg niet vervuld zijn. Wanneer er daarentegen daadwerkelijk juridische en fiscale argumenten zijn om te besluiten dat die voorwaarden wél vervuld zijn, dan moeten die inkomsten uiteraard als dusdanig worden belast. Maar die voorwaarden moeten dan ook worden aangetoond, des te meer wanneer de administratieve commentaar zelf duidelijke contouren geeft aan de inkomsten die door de betrokken bepalingen worden geviseerd.

En precies daar wringt vandaag het schoentje. In de praktijk merken wij dat een inhoudelijke juridische discussie over (onchain) staking al te vaak wordt afgedaan met een verwijzing naar één voorafgaande beslissing. Een beslissing die vervolgens door controleurs en zelf fiscalisten wordt herhaald alsof daarmee de discussie definitief is beslecht. Nochtans is een voorafgaande beslissing geen wet en maakt het veelvuldig herhalen van een standpunt de juridische grondslag ervan niet sterker. Zeker niet wanneer die beslissing volgens ons vertrekt van een technisch onjuiste voorstelling van staking en vervolgens genoegen neemt met formuleringen als "in principe" en "de meeste overeenkomsten vertonen met".

Dat is jammer. Crypto hoeft geen fiscale voorkeursbehandeling te krijgen, maar verdient wel dezelfde juridische ernst als iedere andere economische activiteit. Zeker voor een mechanisme als staking, dat een fundamentele rol speelt binnen Proof of Stake blockchains, mag meer worden verwacht dan een kwalificatie bij benadering. Het verdient een echt juridisch debat over de feiten, de rechtsverhoudingen en de precieze toepassingsvoorwaarden van de belastingwet.

Misschien leidt dat debat uiteindelijk tot de conclusie dat bepaalde vormen van staking wel degelijk roerende inkomsten opleveren. Misschien ook niet. Maar dat moet de conclusie zijn van een juridische analyse, niet de premisse waarmee die analyse begint. Dat is uiteindelijk onze oproep tot intellectuele eerlijkheid.

 
 

Contact

Aeacus Lawyers staat tot uw dienst voor al uw juridische vragen. U kan met ons geheel vrijblijvend contact opnemen via het onderstaande e-mailadres of door het onderstaande formulier in te vullen. Wij komen zo spoedig mogelijk bij u terug. 

bottom of page