Buitenlandse rekening niet aangegeven? Dat bewijst nog geen fiscale fraude
In dossiers van beleggers en crypto-investeerders komen wij helaas regelmatig dezelfde discussie tegen: een buitenlandse rekening werd niet aangegeven, een melding bij het CAP ontbreekt of bepaalde inkomsten werden niet opgenomen in de belastingaangifte. De fiscus leidt daar soms meteen fiscale fraude uit af, met een hoge belastingverhoging en toepassing van de verlengde aanslagtermijn tot gevolg. De rechtbank van eerste aanleg Brussel stelt in een vonnis van 8 juli 2026 ons inziens terecht dat niet-aangifte niet per definitie fraude bewijst. De administratie moet het frauduleuze opzet concreet aantonen.
In het kortDe rechtbank van eerste aanleg Brussel oordeelde op 8 juli 2026 dat het niet aangeven van buitenlandse rekeningen en roerende inkomsten op zichzelf onvoldoende was om frauduleus opzet te bewijzen. Omdat dat bewijs ontbrak, kon de fiscus de toen toepasselijke zevenjarige fraudetermijn niet gebruiken en werden de aanvullende aanslagen ontheven. De uitspraak is ook relevant voor investeerders met buitenlandse beleggings- of cryptorekeningen, al beslist het vonnis niet specifiek over de melding bij het CAP. |

Een terugkerende discussie bij fiscale controles
Een buitenlandse beleggingsrekening werd niet vermeld in de belastingaangifte, een cryptorekening werd niet gemeld bij het Centraal Aanspreekpunt (CAP), of bepaalde roerende inkomsten of crypto-inkomsten werden niet aangegeven. Bij controles stellen wij regelmatig vast dat de administratie uit die tekortkomingen meteen frauduleus opzet afleidt. De redenering is dan dat de belastingplichtige de aangifteverplichting had moeten kennen en dat het ontbreken van de aangifte dus wijst op een bewuste verzwijging.
Die stap is juridisch niet vanzelfsprekend. De vaststelling dat een aangifte ontbreekt of onjuist is, bewijst nog niet waarom dat gebeurde. Een vergissing of nalatigheid kan een fiscale inbreuk opleveren zonder dat de belastingplichtige bewust belasting wilde ontduiken. Het onderscheid is belangrijk, omdat de administratie zich op fraude kan beroepen om een hogere belastingverhoging op te leggen en een langere aanslagtermijn toe te passen.
Het Brusselse vonnis van 8 juli 2026 herinnert eraan dat de fiscus dat frauduleuze opzet afzonderlijk moet bewijzen. De uitspraak betreft Franse bankrekeningen, maar de bewijsdiscussie is ook herkenbaar in dossiers over buitenlandse beleggings- en cryptorekeningen.
Franse rekeningen en niet-aangegeven inkomsten
De zaak betrof een vrouw die tijdens haar verblijf in België, Franse bankrekeningen aanhield. Het bestaan van die rekeningen en de bijbehorende roerende inkomsten waren niet aangegeven. Voor inkomstenjaren 2016 en 2017 ging het om respectievelijk 18.857 euro en 22.740 euro aan inkomsten. Nadat de Belgische fiscus informatie van de Franse administratie had ontvangen, vroeg hij toelichting aan de belastingplichtigen. Vervolgens werden aanvullende aanslagen gevestigd, met een belastingverhoging van 50% wegens frauduleus opzet.
De gewone aanslagtermijn was op dat ogenblik verstreken. Om de inkomsten alsnog te belasten, beriep de administratie zich op de toen toepasselijke zevenjarige fraudetermijn. Het bewijs van fraude bepaalde daardoor niet alleen de belastingverhoging, maar ook of de fiscus nog tijdig belasting kon heffen.
Waarom was frauduleus opzet niet bewezen?
Volgens de administratie bleek het frauduleuze karakter uit drie elementen: het aangifteformulier vroeg uitdrukkelijk naar buitenlandse rekeningen, de tekortkoming deed zich meerdere jaren voor en de niet-aangegeven inkomsten waren aanzienlijk. De rechtbank vond die elementen onvoldoende om in dit dossier een bewuste belastingontduiking aan te tonen en hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de belastingplichtige.
De vrouw was geregeld tussen landen verhuisd en bezat de Franse rekeningen al voordat zij in België woonde. De documenten van de Franse bank vermeldden bovendien een bevrijdende inhouding. Daardoor kon zij ten onrechte hebben gedacht dat haar fiscale verplichtingen voor die inkomsten al vervuld waren. Dat zij zich niet verder had geïnformeerd, kon volgens de rechtbank op nalatigheid wijzen, maar bewees nog niet dat zij de inkomsten bewust had verzwegen.
Ook de overige aangiftegegevens speelden een rol. Andere buitenlandse inkomsten waren wel aangegeven, evenals een Luxemburgse rekening van haar echtgenoot en de inkomsten daarvan. Dat wees volgens de rechtbank op een wil tot transparantie. Na ontvangst van de vragen om inlichtingen werkte de vrouw bovendien volledig mee en bezorgde zij de administratie de nodige informatie.
Het argument dat de tekortkoming meerdere jaren had geduurd, overtuigde de rechtbank evenmin. De ontbrekende aangiften voor de verschillende jaren waren tijdens dezelfde controle vastgesteld. In de concrete omstandigheden van dit dossier vond de rechtbank die herhaling onvoldoende om frauduleus opzet te bewijzen.
Niet-aangifte en fraude zijn verschillende vaststellingen
De rechtbank verwees naar het arrest van het Hof van Cassatie van 3 januari 1997 voor het principe dat frauduleus opzet niet kan worden afgeleid uit het enkele feit dat een aanzienlijk bedrag aan inkomsten niet werd aangegeven. Ook de administratieve commentaar erkent dat principe: op basis van de concrete feiten moet worden onderzocht of de overtreding werd begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een ongeoorloofd voordeel te bezorgen.
Dat standpunt is ook binnen de administratie geen onbekende. De Fiscale Bemiddelingsdienst verwees in zijn jaarverslag 2020 uitdrukkelijk naar Com.IB 354/23 en bekritiseerde in de voorgelegde dossiers de summiere motivering van belastingverhogingen van 50% bij niet-aangegeven buitenlandse roerende inkomsten. Die motivering was volgens de dienst onvoldoende gesteund op de concrete omstandigheden die tot de niet-aangifte hadden geleid. Jaarverslag Fiscale Bemiddelingsdienst 2020, p. 66
Het Brusselse vonnis past die bewijsregel toe. De administratie slaagde er onvoldoende in om frauduleus opzet te onderscheiden van een vergissing of nalatigheid. Bij gebrek aan overtuigend bewijs kregen de belastingplichtigen het voordeel van de twijfel.
Aanwijzingen voor onderzoek zijn nog geen bewijs van fraude
Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen aanwijzingen die bijkomend onderzoek toelaten en het bewijs dat nodig is om binnen de fraudetermijn belasting te heffen. In zijn arrest van 7 april 2016 verduidelijkte het Hof van Cassatie dat de administratie voor de toen toepasselijke uitbreiding van de onderzoekstermijn nog niet hoefde te bewijzen wat zij met dat bijkomende onderzoek juist wilde achterhalen. De aanwijzingen van belastingontduiking moesten wel nauwkeurig worden vermeld in de voorafgaande kennisgeving. Cass. 7 april 2016, F.14.0065.N – officiële samenvatting
Een gegeven dat verder onderzoek rechtvaardigt, bewijst dus niet noodzakelijk dat de belastingplichtige frauduleus heeft gehandeld. Voor het gebruik van de verlengde aanslagtermijn moet het vereiste opzet daadwerkelijk worden aangetoond. Precies op dat bewijs liep de administratie in de Brusselse zaak vast.
Het CAP en de belastingaangifte zijn afzonderlijke verplichtingen
Bij buitenlandse beleggingsrekeningen wordt de melding aan het CAP van de Nationale Bank soms verward met de jaarlijkse belastingaangifte. Een buitenlandse rekening die onder de meldplicht valt, moet in beginsel eenmalig bij het CAP worden gemeld. Daarnaast moet het bestaan ervan jaarlijks in de personenbelasting worden vermeld. Belastbare inkomsten uit die rekening moeten afzonderlijk correct worden aangegeven. Een CAP-melding vervangt de jaarlijkse vermelding dus niet, en omgekeerd. FOD Financiën – Buitenlandse rekeningen
Dat onderscheid is relevant voor wie via een buitenlandse broker aandelen, obligaties of andere beleggingen aanhoudt. Ook wanneer geen belastbare inkomsten werden ontvangen, kan de verplichting om de rekening te melden blijven bestaan. Een belegger die meent geen belasting verschuldigd te zijn, mag daaruit dus niet besluiten dat hij de rekening ook niet bij het CAP of in zijn belastingaangifte moet vermelden.
Het Brusselse vonnis beslist niet specifiek over een ontbrekende CAP-melding. Het ging om niet-aangegeven buitenlandse rekeningen én roerende inkomsten, waarbij de fiscus fraude aanvoerde om een langere aanslagtermijn te kunnen gebruiken. Dat onderscheid moet behouden blijven wanneer de uitspraak op andere dossiers wordt betrokken.
Wat betekent dit voor investeerders met een buitenlandse rekening?
Wie belegt via een buitenlandse bank, broker of cryptoplatform, moet de verschillende aangifteverplichtingen afzonderlijk beoordelen. De melding van een rekening bij het CAP zegt op zichzelf niets over de belastbaarheid van de beleggingen. Omgekeerd betekent het ontbreken van belastbare inkomsten niet dat de rekening nergens moet worden vermeld.
Bij cryptorekeningen moet eerst worden nagegaan of de rekening onder de wettelijke meldplicht valt. De Nationale Bank koppelt die verplichting aan het aanhouden van de cryptorekening bij een buitenlandse bank-, wissel-, krediet- of spaarinstelling in de zin van artikel 318 WIB 92. De kwalificatie van de rekening en de instelling verdient dus afzonderlijk onderzoek. NBB – FAQ buitenlandse rekeningen
In de praktijk raden wij vanuit pragmatische overwegingen aan om buitenlandse cryptorekeningen bij gecentraliseerde exchanges te melden bij het CAP en te vermelden in de belastingaangifte. De juridische discussie over de meldplicht en de praktische werkwijze bespreken wij uitgebreider in ons artikel over het aangeven van cryptorekeningen en wallets in België.
Het Brusselse vonnis is vooral relevant wanneer de fiscus aan een ontbrekende aangifte meteen frauduleus opzet verbindt. Of het nu gaat om interesten, dividenden of belastbare crypto-inkomsten: de administratie moet concreet aantonen waarom de tekortkoming volgens haar voortkomt uit bewuste fraude. De informatie waarover de investeerder beschikte, de gegevens die wel werden aangegeven en de verklaring voor de ontbrekende aangifte kunnen daarbij een rol spelen.
Zonder bewezen fraude vielen de aanslagen weg
Omdat het frauduleuze opzet niet bewezen was, kon de fiscus de zevenjarige aanslagtermijn in deze zaak niet gebruiken. De rechtbank verleende ontheffing van de aanvullende aanslagen, samen goed voor 17.868,18 euro, en beval de terugbetaling van de geïnde bedragen met moratoriuminteresten.
Een ontbrekende aangifte of CAP-melding kan fiscale gevolgen hebben zonder dat fraude bewezen is. Het vonnis biedt wel een concreet tegengewicht wanneer de administratie de niet-aangifte zonder voldoende bijkomende onderbouwing gelijkstelt met frauduleus opzet. Bij een controle moet daarom niet alleen worden nagegaan welke tekortkoming wordt vastgesteld, maar ook op welke concrete feiten de fiscus zijn beschuldiging van fraude baseert.
Bron: Franstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 8 juli 2026, nr. 2023/411/A, gepubliceerd op FisconetPlus op 5 november 2026. Het betreft een uitspraak in eerste aanleg over de aanslagtermijnen voor aanslagjaren 2017 en 2018.
Wordt u geconfronteerd met een belastingverhoging van 50% wegens het niet aangeven van een buitenlandse rekening, een ontbrekende CAP-melding of niet-aangegeven beleggings- of crypto-inkomsten? Wij onderzoeken of de fiscus het frauduleuze opzet voldoende aantoont en of de toegepaste aanslagtermijn en belastingverhoging gerechtvaardigd zijn. Boek een vrijblijvend gesprek om uw dossier te bespreken.



