top of page

Betaalt u belasting wanneer u cryptomunten stakt, unstakt, wrapt, unwrapt of bridget?

1 uur geleden
17 minuten om te lezen

Sinds de invoering van de nieuwe meerwaardebelasting krijgen wij bijzonder veel vragen over staking en unstaking, wrapping en unwrapping, en het bridgen van cryptoactiva. De wet en de circulaire geven geen duidelijk antwoord op de vraag of deze technische verrichtingen een belastbare realisatie vormen. In dit artikel proberen wij die onduidelijkheid weg te nemen.

Voor alle duidelijkheid: wat volgt, is onze huidige juridische zienswijze op basis van de wettekst, de parlementaire voorbereiding en de bestaande realisatiedoctrine. Er bestaat op dit ogenblik nog geen specifieke rechtspraak of gepubliceerde ruling over de toepassing van de nieuwe meerwaardebelasting op deze verrichtingen. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat de fiscale administratie een ander standpunt inneemt.

In het kort

Verrichting

Fiscaal uitgangspunt

Belangrijkste voorbehoud

Native staking

In beginsel geen realisatie

Rewards zelf moeten afzonderlijk worden beoordeeld

Native unstaking

In beginsel geen realisatie

Afzonderlijk ontvangen rewards kunnen belastbaar zijn

Liquid staking

Naar ons oordeel geen realisatie

Voor zover het token dezelfde stakingpositie en restitutieaanspraak vertegenwoordigt

Terugwisseling van stETH of rETH naar ETH

Naar ons oordeel geen realisatie

Voor zover slechts de onderliggende stakingpositie wordt vrijgegeven

ETH naar WETH en omgekeerd

Geen realisatie

De omzetting is technisch, rechtstreeks, omkeerbaar en één op één

Custodial wrapping, zoals WBTC

Naar ons oordeel geen realisatie

Voor zover het token één op één dezelfde onderliggende munt vertegenwoordigt en inwisselbaar blijft

Canonieke lock-and-mint- of burn-and-mintbridge

Geen realisatie

Dezelfde economische positie wordt uitsluitend naar een andere blockchain verplaatst

Bridge via liquiditeitspool of market maker

Wel een realisatie indien economisch wordt geswapt

Doorslaggevend is of het oorspronkelijke actief wordt ingeruild voor een ander actief

Staking rewards en protocolopbrengsten

Afzonderlijk belastbaar voorwerp

De kwalificatie als roerend, divers of beroepsinkomen hangt af van de feiten

Belangrijk: dit is het juridische standpunt van Aeacus Crypto Lawyers op basis van de huidige wetgeving, de klassieke realisatiedoctrine en de beschikbare parlementaire voorbereiding. De wet, Circulaire 2026/C/74, de gepubliceerde rulings en de rechtspraak behandelen staking, wrapping en bridging nog niet uitdrukkelijk onder de nieuwe meerwaardebelasting. Er blijft daarom rechtsonzekerheid bestaan en de fiscale administratie kan een ander standpunt innemen.

Inhoudstafel

  1. Niet iedere blockchaintransactie is een fiscale realisatie

  2. Het principe van economische continuïteit in het Belgische fiscale recht

    1. Omzetting van preferente naar gewone aandelen

    2. Kapitaalvermindering zonder vernietiging van aandelen

    3. Omzetting van de rechtsvorm van een vennootschap

    4. Partiële splitsing en wettelijke precisie

    5. De impliciete ruil in de parlementaire voorbereiding

  3. Native staking en unstaking

    1. Native of solo staking

    2. Unstaking

  4. Liquid staking

  5. Wrapping en unwrapping

  6. Bridging

  7. Staking rewards en andere opbrengsten

  8. Bewijs en praktische aanpak

  9. Conclusie

Inleiding

De Wet van 6 april 2026 tot invoering van een belasting op meerwaarden op financiële activa (BS 21 april 2026) heeft het fiscale landschap voor particuliere cryptobeleggers ingrijpend gewijzigd. Meerwaarden op cryptoactiva die binnen het normale beheer van het privévermogen worden gerealiseerd, zijn voortaan in beginsel belastbaar tegen 10% op grond van artikel 90, eerste lid, 9°, c) WIB 92. Daarbij gelden onder meer een jaarlijkse basisvrijstelling en de mogelijkheid om bepaalde minderwaarden van hetzelfde belastbare tijdperk te verrekenen.

Voor een algemeen overzicht van het nieuwe regime, de jaarlijkse vrijstelling, het fotomoment en de berekeningsregels, zie ook Meerwaardebelasting op crypto in België: 10% heffing vanaf 2026 uitgelegd. Het onderscheid tussen normaal beheer, speculatieve verrichtingen, roerende inkomsten en beroepsinkomsten wordt verder behandeld in Wanneer is crypto belastbaar in België?.

De belasting viseert echter geen loutere waardestijging. Er moet een meerwaarde worden gerealiseerd naar aanleiding van een overdracht onder bezwarende titel. Precies daar rijst de vraag wat moet gebeuren met staking, unstaking, wrapping, unwrapping en bridging.

Dit artikel verdedigt daarom het standpunt dat staking, unstaking, wrapping, unwrapping en zuiver technische bridging geen fiscale realisatie vormen wanneer de belegger zijn economische eigendom en aanspraak op het onderliggende actief behoudt. Dat is het standpunt van Aeacus op basis van de huidige wet, de klassieke realisatiedoctrine en de parlementaire voorbereiding. Een andere uitkomst is volgens ons alleen verantwoord wanneer de concrete protocolarchitectuur aantoont dat economisch wel degelijk een ander actief wordt verkregen.

1. Niet iedere blockchaintransactie is een fiscale realisatie

Artikel 90, eerste lid, 9°, c) WIB 92 moet worden gelezen samen met artikel 92 WIB 92. Uit die bepalingen volgt dat een latente meerwaarde niet belastbaar wordt door een technische handeling alleen. Vereist is dat een financieel actief onder bezwarende titel wordt overgedragen.

Volgens het klassieke realisatiebegrip ontstaat een verwezenlijkte meerwaarde wanneer een actief het vermogen daadwerkelijk verlaat en door een tegenwaarde wordt vervangen. Die grondgedachte gaat terug op Cass. 9 februari 1960 (Steverlynck, Pas. 1960, I, 655) en werd later in de rechtspraak verder toegepast. Verkoop, ruil, inbreng en onteigening zijn klassieke realisatiegevallen. Een louter interne wijziging van vorm, administratie of technische standaard is daarmee niet zonder meer gelijk te stellen.

Iedere vervreemding van cryptoactiva

Circulaire 2026/C/74 bepaalt in randnummer 85 dat iedere vervreemding van cryptoactiva wordt geviseerd, zowel tegen fiatgeld als tegen andere cryptoactiva. Randnummer 86 voegt daaraan de aanwending van crypto voor de aankoop van goederen of diensten toe:

"85. Hierbij wordt bevestigd dat elke vervreemding van cryptoactiva – dus zowel de omzetting in andere cryptoactiva als de omzetting in fiduciaire valuta – wordt beschouwd als een overdracht onder bezwarende titel. Het gaat dus niet enkel om omzettingen naar fiduciaire valuta (55)."

In deze passage zijn vooral de begrippen “omzetting” en “andere cryptoactiva” van belang. Naar ons oordeel veronderstelt de circulaire dat de belegger zijn oorspronkelijke cryptoactivum prijsgeeft en daarvoor een ander, economisch zelfstandig cryptoactivum verkrijgt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer ETH wordt omgezet in BTC of XRP in USDC: de oorspronkelijke positie verdwijnt en wordt vervangen door een andere.

De circulaire verwijst hiervoor in voetnoot 55 uitdrukkelijk naar het antwoord van de minister van Financiën op parlementaire vraag nr. 1338 van 2 februari 2023. In dat antwoord wordt een fiscale realisatie omschreven als een verrichting waarbij een goed het vermogen verlaat in ruil voor fiatgeld of voor een ander goed, zoals een andere cryptomunt.

Verder spreekt de minister uitdrukkelijk over winsten of baten die voortvloeien uit “transacties van aankoop en wederverkoop (of ruil) van cryptomunten”. Ook de concrete voorbeelden hebben betrekking op de ruil van cryptomunt A tegen cryptomunt B of tegen een stablecoin. De geviseerde verrichtingen zijn dus werkelijke handels- of ruiltransacties waarbij de belegger zijn oorspronkelijke cryptomunt prijsgeeft en daarvoor een andere cryptomunt verkrijgt.

Dat verschilt wezenlijk van de technische verrichtingen die in dit artikel worden besproken. Bij staking wordt het cryptoactivum in beginsel vastgezet of gedelegeerd. Bij wrapping wordt het technisch verpakt en bij bridging naar een andere blockchain overgebracht. De belegger koopt, verkoopt of ruilt daarbij niet noodzakelijk iets. Een mint, burn, lock of unlock vormt op zichzelf nog geen aankoop, wederverkoop, ruil of vervreemding.

Evenmin wordt daarbij noodzakelijk een “ander cryptoactivum” in economische zin verkregen. Een andere benaming, tokenstandaard of contractadres volstaat daarvoor niet. Wanneer het ontvangen token dezelfde onderliggende waarde en aanspraak vertegenwoordigt, wordt de oorspronkelijke belegging niet vervangen door een zelfstandige nieuwe belegging. Dezelfde positie wordt slechts in een andere technische vorm voortgezet.

Deze benadering vindt naar ons oordeel bijkomende steun in randnummer 87 van de circulaire. Een overdracht tussen eigen wallets van dezelfde belastingplichtige vormt geen fiscale realisatie, hoewel op de blockchain wel degelijk een transactie plaatsvindt. Niet iedere blockchaintransactie is dus een vervreemding. Beslissend is of de belastingplichtige zijn oorspronkelijke positie werkelijk heeft prijsgegeven en daarvoor een economisch ander actief heeft verkregen.

Ook artikel 92, § 2 WIB 92 is relevant. Die bepaling bevat een limitatieve lijst van gebeurtenissen die met een overdracht onder bezwarende titel worden gelijkgesteld. Staking, wrapping en bridging worden daarin niet vermeld. Zij kunnen daarom alleen belastbaar zijn wanneer zij op grond van hun eigen juridische en economische kenmerken daadwerkelijk een overdracht onder bezwarende titel vormen.

Naar ons oordeel is daarvan geen sprake wanneer het oorspronkelijke belang behouden blijft en uitsluitend in een andere technische vorm wordt aangehouden. Dat verschilt fundamenteel van een echte ruil, zoals ETH tegen BTC of XRP tegen USDC, waarbij de ene cryptomunt definitief wordt prijsgegeven en een economisch andere cryptomunt in de plaats komt.

2. Het principe van economische continuïteit in het Belgische fiscale recht

Het wettigheidsbeginsel vereist dat de essentiële bestanddelen van een belasting uit de wet voortvloeien. Een administratieve circulaire kan geen belastbaar feit creëren dat de wet zelf niet bevat. Bij twijfel moet daarom eerst worden onderzocht of aan de wettelijke voorwaarden van overdracht, bezwarende titel en realisatie is voldaan.

Het Belgische fiscale recht kent verschillende gevallen waarin een formele wijziging van activa niet zonder meer als een fiscale realisatie wordt behandeld. Deze regels zijn niet rechtstreeks op crypto van toepassing en vormen geen automatische vrijstelling. Zij ondersteunen wel het onderscheid tussen een echte vervreemding en de voortzetting van dezelfde vermogenspositie in een andere juridische of technische vorm.

2.1 Omzetting van preferente naar gewone aandelen

Com.IB 1992, nrs. 24/67 en 44/49, behandelt de omzetting van preferente aandelen in gewone aandelen niet als een gewone vervreemding waarbij de aandeelhouder zijn deelneming te gelde maakt. De aandeelhouder blijft participeren in dezelfde vennootschap; de rechten verbonden aan de aandelen wijzigen, maar de onderliggende deelneming wordt niet aan een derde verkocht.

De analogie is vooral relevant voor een zuivere wrap. Wanneer ETH in WETH wordt omgezet, kan worden verdedigd dat niet voor een andere belegging wordt gekozen, maar dat dezelfde economische positie technisch in een andere standaard wordt ondergebracht. De analogie is minder vanzelfsprekend bij tokens die andere rechten, risico’s of opbrengstmechanismen bevatten.

2.2 Kapitaalvermindering zonder vernietiging van aandelen

In Brussel 11 april 2018 (rolnr. 2014/AF/223) en Gent 22 mei 2018 werd bij een kapitaalvermindering zonder vernietiging van aandelen geoordeeld dat geen vrijgestelde verwezenlijkte meerwaarde op aandelen voorlag, juist omdat de aandelen niet werden vervreemd. De zaken situeren zich in de vennootschapsbelasting en kunnen daarom niet rechtstreeks op een particuliere cryptobelegger worden toegepast. Zij bevestigen wel het belang van een werkelijke verwijdering van het betrokken actief uit het vermogen.

Voor staking en wrapping ondersteunt dit de stelling dat een wijziging in de bruikbaarheid of representatie van een actief niet volstaat wanneer de onderliggende vermogenspositie behouden blijft.

2.3 Omzetting van de rechtsvorm van een vennootschap

Artikel 214, § 1 WIB 92 regelt de fiscale continuïteit bij bepaalde omzettingen van vennootschappen. De juridische vorm verandert, maar de vennootschap wordt fiscaal niet zonder meer behandeld alsof haar volledige vermogen werd gerealiseerd.

Ook deze bepaling is een bijzondere wettelijke regeling en geen rechtstreeks toepasselijke vrijstelling voor crypto. Zij illustreert wel dat een vormwijziging en een vervreemding fiscaal verschillende begrippen zijn. Bij een technisch volledig omkeerbare tokenomzetting kan dezelfde gedachte als interpretatief argument worden gebruikt.

2.4 Partiële splitsing en wettelijke precisie

Voor partiële splitsingen heeft de wetgever uitdrukkelijke regels ingevoerd om de fiscale gevolgen op het niveau van de betrokken vennootschappen en aandeelhouders te bepalen. Daaruit kan niet automatisch worden afgeleid dat iedere niet-geregelde cryptoverrichting neutraal is. De regeling toont wel dat de wetgever, wanneer hij een reorganisatie als een bijzonder realisatiemoment wil behandelen of neutraliseren, dat nauwkeurig kan bepalen.

Voor staking, wrapping en bridging ontbreekt zo’n specifieke regeling. Daardoor blijft de algemene wettelijke toets beslissend: is er in werkelijkheid een overdracht onder bezwarende titel, of alleen een technische voortzetting van dezelfde positie?

2.5 De impliciete ruil in de parlementaire voorbereiding

Tijdens de parlementaire behandeling verwees minister Jambon naar de analyse van professor Haelterman bij vragen over maatschappen en onverdeeldheden (Kamer 2025-2026, DOC 56 1244/007). Volgens die bespreking leidt het aangaan of beëindigen van een maatschapscontract op zichzelf niet tot belasting wanneer geen impliciete ruil plaatsvindt. Blijft de eigenaar economisch eigenaar van dezelfde activa, dan ontbreekt een realisatiemoment; worden daarentegen verschillende activa onderling geruild, dan kan wel een gedeeltelijke overdracht ontstaan.

Die parlementaire bespreking ging niet specifiek over crypto en vormt dus geen algemene administratieve vrijstelling voor tokenomzettingen. De achterliggende gedachte is niettemin bruikbaar: zonder werkelijke of impliciete ruil van het ene vermogensbestanddeel voor een ander is een belastbare overdracht niet vanzelfsprekend.

De belegger hoeft bijgevolg niet te aanvaarden dat “ander tokenadres” automatisch “ander fiscaal actief” betekent. De administratie moet rekening houden met de rechten die het token vertegenwoordigt, de terugwisselbaarheid, de identiteit van de onderliggende activa, het behoud van het koersrisico en de vraag of de belegger zijn aanspraak werkelijk heeft prijsgegeven.

Dat is geen pleidooi om elke cryptotransactie neutraal te behandelen. Een gewone swap van BTC naar ETH, ETH naar USDC of een token naar een andere belegging blijft een vervreemding. De belegger geeft dan het ene activum definitief op en kiest voor een wezenlijk andere vermogenspositie. Zie daarover uitgebreider Ruilen of swappen van crypto in België: belastbare realisatie uitgelegd. Ook de aanwending van crypto voor goederen of diensten vormt in beginsel een afzonderlijk realisatiemoment, zoals toegelicht in Crypto als betaalmiddel in België. De technische handelingen die in dit artikel worden besproken, kunnen van beide situaties fundamenteel verschillen.

3. Native staking en unstaking

3.1 Native of solo staking

Bij native staking, bijvoorbeeld rechtstreeks als Ethereum-validator, wordt ETH in het protocol vastgezet. De belegger ontvangt geen afzonderlijk verhandelbaar token dat zijn ETH vervangt. Na een geldige withdrawal wordt de onderliggende ETH opnieuw vrijgegeven.

Er bestaan sterke argumenten om zowel het staken als het unstaken als fiscaal neutraal te behandelen:

  • de belegger verkoopt of ruilt zijn ETH niet;

  • hij ontvangt bij het staken geen tegenwaarde;

  • zijn economische blootstelling aan ETH blijft behouden;

  • de blokkering is tijdelijk en vloeit voort uit de werking van het protocol;

  • bij unstaking wordt het reeds bestaande activum vrijgegeven.

De vergelijking met een transfer tussen eigen wallets is overtuigend. In beide gevallen wijzigt de technische toestand of locatie van het actief, maar wordt geen tegenprestatie verkregen en geen vermogenswaarde aan een derde vervreemd.

Het feit dat de stakingpositie later rewards kan opleveren, verandert het karakter van de oorspronkelijke lock niet. Het kapitaal en de opbrengst moeten afzonderlijk worden beoordeeld. Een belegging wordt niet verkocht enkel omdat zij inkomsten kan voortbrengen.

3.2 Unstaking

Wanneer native staking geen realisatie vormt, moet de loutere vrijgave van dezelfde munten in beginsel eveneens neutraal zijn. De belegger verkrijgt geen nieuw actief, maar herwint de vrije beschikkingsmacht over een actief dat reeds tot zijn vermogen behoorde.

Worden bij de withdrawal ook rewards uitgekeerd, dan moeten die rewards afzonderlijk worden gekwalificeerd. Dat rechtvaardigt echter niet dat ook de terugbetaling of vrijgave van het gestakete kapitaal als een belastbare vervreemding wordt behandeld.

4. Liquid staking

Liquid staking is complexer. Wie ETH bij Lido of Rocket Pool inzet, ontvangt doorgaans stETH of rETH. Dat token is afzonderlijk overdraagbaar en technisch niet identiek aan ETH. De administratie kan daarom aanvoeren dat sprake is van een crypto-naar-crypto-omzetting zoals bedoeld in randnummer 85 van de circulaire.

Daartegenover staat een sterk inhoudelijk argument. Het liquid-stakingtoken kan worden beschouwd als de verhandelbare representatie van de bestaande stakingpositie. De belegger:

  • behoudt in essentie zijn blootstelling aan de onderliggende ETH;

  • verwerft het token uitsluitend doordat zijn ETH in staking wordt geplaatst;

  • behoudt een rechtstreekse of protocolgebonden aanspraak op terugbetaling of omzetting;

  • neemt op dat ogenblik geen winst in fiat of in een economisch onafhankelijk activum;

  • gebruikt het token vooral om een anders illiquide positie technisch bruikbaar te maken.

Vanuit die benadering is geen sprake van een echte ruil, maar van tokenisering van een reeds bestaande aanspraak. Het liquid-stakingtoken functioneert dan eerder als bewijs of verpakking van de stakingpositie dan als een zelfstandige nieuwe belegging.

De restitutieaanspraak hoeft daarbij niet rechtstreeks tegenover een uitgever te bestaan. Zij kan uit het protocol zelf voortvloeien. Bij stETH verloopt de terugkeer naar ETH bijvoorbeeld via de withdrawal queue van Lido en niet via een permanente rechtstreekse 1:1-inkoop. Dat maakt de aanspraak protocolgebonden, maar sluit economische continuïteit niet noodzakelijk uit.

De concrete voorwaarden blijven belangrijk. stETH en rETH zijn niet volledig identiek: rewards, wisselverhoudingen en protocolmechanismen worden anders verwerkt. Ook smart-contractrisico, slashingrisico, liquiditeitsrisico en een mogelijke afwijking van de marktprijs kunnen verschillen van native ETH. Die verschillen geven de administratie argumenten om toch een afzonderlijk cryptoactivum aan te nemen.

Over liquid staking kan naar ons oordeel de meeste discussie ontstaan. De belegger ontvangt immers een afzonderlijk verhandelbaar token dat technisch niet identiek is aan de onderliggende ETH en bovendien bijkomende protocol-, liquiditeits- en slashingrisico’s kan bevatten. De administratie kan daarom aanvoeren dat sprake is van een omzetting naar een ander cryptoactivum.

Toch bestaan er volgens ons argumenten om liquid staking niet als een fiscale realisatie te behandelen wanneer het ontvangen token uitsluitend de bestaande stakingpositie en de aanspraak op de onderliggende ETH vertegenwoordigt. Het feit dat het token verhandelbaar is of bijkomende risico’s draagt, volstaat volgens ons niet om tot een werkelijke vervreemding te besluiten. Van een andere fiscale behandeling kan pas sprake zijn wanneer het token economisch een zelfstandige belegging met wezenlijk andere rechten vormt. Van alle besproken verrichtingen bestaat bij liquid staking niettemin het grootste risico op discussie met de fiscale administratie.

Bij de terugwisseling van het liquid-stakingtoken naar ETH geldt dezelfde analyse. Als het token enkel de stakingpositie representeerde, vormt de terugkeer naar de onderliggende ETH de beëindiging van die representatie en geen nieuwe beleggingstransactie.

5. Wrapping en unwrapping

Wrapping maakt een native coin bruikbaar binnen een tokenstandaard of een ander technisch ecosysteem. Het duidelijkste voorbeeld is ETH tegenover WETH. ETH wordt in een smart contract gedeponeerd en WETH wordt één op één gemint. Bij unwrapping wordt WETH vernietigd en komt de onderliggende ETH opnieuw vrij.

Voor ETH/WETH is het argument voor fiscale neutraliteit bijzonder sterk:

  • de omzetting is mechanisch en één op één;

  • zij levert geen reward of afzonderlijk rendement op;

  • WETH dient uitsluitend om dezelfde waarde binnen de ERC-20-standaard te gebruiken;

  • de verrichting is rechtstreeks omkeerbaar;

  • het koersrisico blijft dat van ETH;

  • de belegger kiest niet voor een economisch andere belegging.

De term “omzetting in een ander cryptoactivum” uit randnummer 85 mag niet los worden gelezen van het voorafgaande begrip “vervreemding”. Bij een zuivere wrap kan juist worden betoogd dat de belegger niets vervreemdt, maar zijn bestaande ETH technisch geschikt maakt voor gebruik in smart contracts.

Ook custodial wrapping, zoals WBTC, vormt naar ons oordeel geen fiscale realisatie wanneer iedere token één op één door BTC wordt gedekt en recht geeft op dezelfde onderliggende waarde. Dat onder meer BitGo een centrale bewaarrol vervult en daardoor bewaar-, uitgevers- en tegenpartijrisico ontstaat, verandert op zichzelf niet het voorwerp van de belegging. De belegger behoudt blootstelling aan BTC en ontvangt geen economisch onafhankelijke tegenwaarde. De analyse kan slechts anders uitvallen wanneer de token geen reële restitutieaanspraak meer belichaamt of economisch van de onderliggende munt wordt losgekoppeld.

6. Bridging

Eenvoudig gezegd betekent bridging dat een cryptoactivum van de ene blockchain naar een andere blockchain wordt overgebracht. Een gebruiker kan bijvoorbeeld USDC op Ethereum overzetten naar Base, Arbitrum of Avalanche. De wijze waarop dat technisch gebeurt, verschilt per bridge. Bij Circle CCTP wordt de USDC op de oorspronkelijke blockchain vernietigd en wordt op de doelketen dezelfde hoeveelheid native USDC uitgegeven. Andere bridges vergrendelen het oorspronkelijke actief en geven op de doelketen een representatief token uit. Nog andere werken met liquiditeitspools, waarbij de gebruiker op de doelketen tokens uit een afzonderlijke pool ontvangt. Die technische verschillen zijn bepalend voor de fiscale beoordeling.

Bij een zuivere, canonieke bridge kan de belegger verdedigen dat uitsluitend de technische locatie van zijn positie wijzigt. Hij behoudt dezelfde economische blootstelling en de bridged token vertegenwoordigt de aanspraak op het vergrendelde of elders uitgegeven actief. De gelijkenis met een transfer tussen eigen wallets is dan aanzienlijk: het actief wordt beschikbaar gemaakt in een ander netwerk, maar niet verkocht voor een andere belegging.

Hierbij kan naar ons oordeel bovendien aansluiting worden gezocht bij randnummer 87 van Circulaire 2026/C/74. Dat randnummer bevestigt dat de overdracht van cryptoactiva tussen verschillende wallets van dezelfde belastingplichtige geen fiscale realisatie vormt.

Wanneer een belegger bijvoorbeeld USDC vanuit zijn eigen wallet op Ethereum naar zijn eigen wallet op Base of Arbitrum overbrengt, blijft hij vóór en na de verrichting eigenaar van dezelfde economische positie. Dat de verplaatsing technisch via een burn-and-mint- of lock-and-mintmechanisme verloopt, verandert volgens ons niet de essentie van de verrichting. Het cryptoactivum wordt niet verkocht of ingeruild, maar naar een wallet op een andere blockchain overgebracht.

Voorwaarde is wel dat dezelfde onderliggende positie behouden blijft en de bridge niet in werkelijkheid een swap naar een economisch ander cryptoactivum uitvoert. Onder die voorwaarden vormt bridging naar ons oordeel geen belastbare realisatie.

De volgende elementen versterken het standpunt van niet-realisatie:

  • dezelfde belastingplichtige controleert het verzendende en ontvangende adres;

  • het aantal en de waarde van de tokens blijven, afgezien van fees, gelijk;

  • de bridge gebruikt een rechtstreeks lock-and-mint- of burn-and-mintmechanisme;

  • het ontvangen token is uitsluitend inwisselbaar voor of gedekt door hetzelfde onderliggende actief;

  • er vindt geen marktorder of prijsonderhandeling plaats;

  • de belegger behoudt dezelfde koersblootstelling.

Wanneer een bridge daarentegen gebruikmaakt van een liquiditeitspool, een market maker, een custodial bridge-operator of een swap naar een afzonderlijk uitgegeven token, wordt het argument zwakker. Een wijziging van uitgever, onderpand, contractueel recht, tegenpartij of risicoprofiel kan de administratie toelaten een werkelijk ander cryptoactivum aan te nemen.

Naar ons oordeel vormt een zuivere technische bridge geen fiscale realisatie. Het actief wordt niet vervreemd, maar technisch naar een andere blockchainomgeving verplaatst of daar gerepresenteerd. Een bridge vormt wél een realisatie wanneer zij via een liquiditeitspool, market maker of andere constructie economisch een swap uitvoert waarbij het oorspronkelijke actief definitief wordt ingeruild voor een ander actief.

7. Staking rewards en andere opbrengsten

De neutraliteit van de stakinghandeling betekent niet dat de ontvangen opbrengsten onbelast zijn. Rewards, validator fees, protocolbonussen en andere opbrengsten moeten afzonderlijk worden gekwalificeerd.

Voorafgaande beslissing 2022.0911 behandelde staking- en liquidity rewards minstens als belastbare inkomsten en onderzocht hun mogelijke kwalificatie als roerende inkomsten. Die beslissing is feitengebonden en dateert van vóór de nieuwe meerwaardebelasting. Zij bevestigt niet dat elke reward in alle omstandigheden identiek moet worden behandeld, maar toont wel dat de opbrengst een afzonderlijk fiscaal voorwerp vormt. De mogelijke kwalificaties, tarieven en het tijdstip van belastbaarheid worden afzonderlijk besproken in Belasting op crypto staking: niet altijd 30%.

Dat onderscheid ondersteunt de belegger: de eventuele belastbaarheid van de vruchten van staking mag niet worden gebruikt om ook het louter vastzetten en terugnemen van het kapitaal als een meerwaarderealisatie te belasten.

8. Bewijs en praktische aanpak

Omdat een algemeen administratief standpunt ontbreekt, is bewijsvoering cruciaal. De belegger doet er goed aan voor iedere staking-, wrap- of bridgeverrichting minstens het volgende te bewaren:

  • transactiehashes en walletadressen;

  • documentatie over het gebruikte protocol;

  • de smart-contractfunctie die werd aangeroepen;

  • de hoeveelheid en soort tokens vóór en na de verrichting;

  • de mogelijkheid en voorwaarden van terugwisseling;

  • gegevens over onderpand, custodians en protocolrisico;

  • de eurowaarde op het tijdstip van de verrichting;

  • afzonderlijke registratie van rewards en fees;

  • de oorspronkelijke aanschaffingswaarde en, voor oudere posities, de relevante waarde op 31 december 2025. Zie voor dit laatste ook Referentieprijs crypto op 31 december 2025: het fotomoment voor de nieuwe meerwaardebelasting.

Die documentatie laat toe aan te tonen dat geen beleggingsbeslissing of winstneming plaatsvond, maar slechts een technische voortzetting van dezelfde positie. Ze is ook nodig voor het geval de administratie de verrichting toch als realisatie beschouwt.

Het belang van een sluitende administratie neemt verder toe door de automatische gegevensuitwisseling onder DAC8. Zie DAC8 in België: automatische gegevensuitwisseling over cryptotransacties. Wie met een fiscale vraag om inlichtingen wordt geconfronteerd, vindt daarnaast een bespreking van de meest voorkomende controlepunten in Vraag om inlichtingen over crypto: waarom stelt de fiscus deze twintig vragen?.

9. Much ado about nothing?

De vraag rijst of de discussie over staking, unstaking, wrapping en unwrapping uiteindelijk geen storm in een glas water is. Het belangrijkste verschil tussen beide benaderingen is vaak niet óf de meerwaarde wordt belast, maar wanneer dat gebeurt. Indien onze analyse wordt gevolgd en deze technische handelingen geen fiscale realisatie vormen, betekent dit niet dat de opgebouwde meerwaarde definitief onbelast blijft. De belasting wordt alleen uitgesteld tot het ogenblik waarop het cryptoactivum werkelijk wordt verkocht, geruild of op een andere wijze wordt vervreemd.

Neem het volgende voorbeeld

  • 1 januari 2026: aankoop van ETH voor 10 euro.

  • Later in 2026: staking van de ETH bij een waarde van 100 euro.

  • In 2027: unstaking bij een waarde van 150 euro.

  • In 2028: verkoop van de ETH voor 200 euro.

Standpunt van Aeacus

  • Het staken in 2026 vormt geen fiscale realisatie.

  • Het unstaken in 2027 vormt evenmin een fiscale realisatie.

  • De belasting ontstaat pas bij de werkelijke verkoop in 2028.

  • De belastbare meerwaarde bedraagt 190 euro: 200 euro verkoopprijs min 10 euro aanschaffingswaarde.

  • Tegen een tarief van 10% bedraagt de belasting 19 euro.

Dit voorbeeld veronderstelt dat de verrichtingen kaderen binnen het normale beheer van privévermogen . Ook wordt verondersteld dat de jaarlijkse vrijstelling reeds volledig is benut. Transactiekosten en staking rewards zelf worden buiten beschouwing gelaten.

Indien het staken en unstaken daarentegen wel als afzonderlijke fiscale realisatiemomenten worden beschouwd, wordt de meerwaarde over drie jaren verdeeld.

Indien staking en unstaking wél als fiscale realisaties worden beschouwd

  • 2026: staking

    • Waarde van de ETH: 100 euro

    • Fiscale aanschaffingswaarde: 10 euro

    • Belastbare meerwaarde: 90 euro

    • Belasting tegen 10%: 9 euro

    • Nieuwe fiscale aanschaffingswaarde: 100 euro

  • 2027: unstaking

    • Waarde van de ETH: 150 euro

    • Fiscale aanschaffingswaarde: 100 euro

    • Belastbare meerwaarde: 50 euro

    • Belasting tegen 10%: 5 euro

    • Nieuwe fiscale aanschaffingswaarde: 150 euro

  • 2028: verkoop

    • Verkoopprijs: 200 euro

    • Fiscale aanschaffingswaarde: 150 euro

    • Belastbare meerwaarde: 50 euro

    • Belasting tegen 10%: 5 euro

  • Totaal

    • Totale belastbare meerwaarde: 190 euro

    • Totale belasting: 19 euro

In beide benaderingen bedraagt de totale meerwaarde in dit voorbeeld 190 euro en de totale belasting 19 euro. Het verschil ligt hoofdzakelijk in het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt.

Dat resultaat verandert wanneer de waarde van het cryptoactivum na het staken daalt. Indien staking onmiddellijk als een fiscale realisatie wordt beschouwd, kan de belegger belasting verschuldigd zijn over een meerwaarde die later geheel of gedeeltelijk verdwijnt. Een minderwaarde die pas in een volgend belastbaar tijdperk wordt gerealiseerd, kan de eerder betaalde belasting niet noodzakelijk neutraliseren. De belastingplichtige heeft dan belasting betaald over een vermogensvoordeel dat hij uiteindelijk niet heeft behouden.

Het voorbeeld illustreert bovendien waarom belastingheffing op het moment van staking moeilijk te verantwoorden is. De belegger ontvangt geen geld en neemt geen winst. Integendeel: hij zet zijn ETH vast en kan gedurende de stakingperiode niet vrij over het actief beschikken. Het is weinig logisch om op dat moment belasting te heffen over een meerwaarde waarvoor de belegger geen liquide middelen heeft ontvangen.

Onze zienswijze is daarom volgens ons zowel juridisch als economisch de meest correcte: zolang het onderliggende actief niet werkelijk wordt vervreemd, vindt geen fiscale realisatie plaats. De meerwaarde wordt pas belast wanneer zij bij een daadwerkelijke verkoop, ruil of andere vervreemding werkelijk wordt gerealiseerd. Dat sluit beter aan bij zowel de economische realiteit als het wettelijke realisatiebegrip.

10. Conclusie

De nieuwe meerwaardebelasting viseert gerealiseerde meerwaarden bij een overdracht onder bezwarende titel. Zij belast niet iedere technische beweging die op een blockchain wordt geregistreerd.

Naar ons oordeel vormen native staking en unstaking geen realisatie: er wordt geen ander actief als tegenwaarde ontvangen en het bestaande kapitaal blijft economisch aan de belegger toebehoren. Ook een zuivere ETH/WETH-wrap vormt volgens ons geen realisatie, omdat uitsluitend de technische tokenstandaard wijzigt.

Ook liquid staking, custodial wrapping en zuivere bridging blijven naar ons oordeel buiten het realisatiebegrip wanneer het ontvangen token uitsluitend dezelfde onderliggende aanspraak vertegenwoordigt. De administratie mag niet volstaan met de vaststelling dat twee verschillende tokenadressen voorkomen. Zij moet aantonen dat de belegger daadwerkelijk een cryptoactivum heeft vervreemd en daarvoor een economisch ander actief heeft verkregen.

Totdat de wetgever, de administratie of de rechtspraak deze verrichtingen specifiek behandelt, moet het wettelijke belastbare feit restrictief worden uitgelegd. Waar de economische eigendom behouden blijft en een token uitsluitend dezelfde onderliggende aanspraak representeert, vindt naar ons oordeel geen belastbare realisatie plaats.

Dat standpunt is juridisch onderbouwd, maar nog niet bevestigd door een specifieke circulaire, ruling of rechterlijke uitspraak. Voor materiële bedragen blijft een voorafgaande beslissing daarom de veiligste weg naar individuele rechtszekerheid.

 
 

Contact

Aeacus Lawyers staat tot uw dienst voor al uw juridische vragen. U kan met ons geheel vrijblijvend contact opnemen via het onderstaande e-mailadres of door het onderstaande formulier in te vullen. Wij komen zo spoedig mogelijk bij u terug. 

secretariaat@aeacus.tax
Senne Verholle: +32 (0)477 77 48 49
Christophe Romero: +32 (0)497 79 52 14
bottom of page