Futures en normaal privébeheer: ook derivaten zijn niet automatisch speculatief
- Aeacus Lawyers

- 1 mei
- 6 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 2 dagen geleden
In het kort Het gebruik van futures of andere afgeleide financiële producten leidt niet automatisch tot belastbare speculatie of abnormaal beheer van privévermogen. In voorafgaande beslissingen nr. 2025.0325 en nr. 2026.0065 aanvaardde de Dienst Voorafgaande Beslissingen dat meerwaarden op futures niet belastbaar waren als beroepsinkomsten of diverse inkomsten, maar kaderden binnen het normaal beheer van privévermogen. (Voorafgaande Beslissing 2025.0325 & 2026.0065) |

1. Feiten en vragen waarover de rulings werden aangevraagd
In beide dossiers ging het om Belgische fiscale residenten die via een online effectenrekening bij Interactive Brokers meerwaarden hadden gerealiseerd op futures. De aanvragen hadden tot doel te bevestigen dat deze meerwaarden niet belastbaar waren als beroepsinkomsten of diverse inkomsten, maar voortvloeiden uit normale verrichtingen van beheer van privévermogen.
De betrokken belastingplichtigen hadden een voltijdse professionele activiteit buiten de financiële derivatenwereld. In de beslissing van 2026 ging het om een CFO bij een grote ICT-groep, terwijl de beslissing van 2025 betrekking had op een senior consultant die actief was in een buitenlandse vennootschap.
De futures maakten slechts een beperkt onderdeel uit van hun totale vermogen en pasten binnen een bredere strategie van vermogensspreiding. Naast de Interactive Brokers rekening bestond hun vermogen onder meer uit vastgoed, spaartegoeden, aandelen, groepsverzekering of een beperkt cryptoaccount.
Belangrijk is dat in beide dossiers geen leningen of investeringskredieten werden gebruikt om de futures aan te kopen. De investeringen gebeurden met eigen middelen, afkomstig uit reeds normaal belaste inkomsten. Wij merken evenwel op dat het gebruik van een lening op zichzelf niet per definitie tot speculatie of abnormaal beheer leidt, maar steeds moet worden beoordeeld in het licht van het volledige feitenkader.
De aanvragers handelden bovendien niet via een klassieke directionele futurestrategie waarbij rechtstreeks wordt gespeculeerd op een stijging of daling van één futureprijs. Zij gebruikten een future spread-strategie, waarbij wordt ingespeeld op het prijsverschil tussen twee contractmaanden. Volgens de rulings heeft deze strategie een lager risicoprofiel dan het rechtstreeks inspelen op de prijsbeweging van één futuremaand.
De aanvragen werden ingediend omdat de belastingplichtigen fiscale zekerheid wensten over de behandeling van de gerealiseerde portefeuillemeerwaarden en de toekomstige repatriëring ervan naar een Belgische bank.
2. Beslissing van de Dienst Voorafgaande Beslissingen
De Dienst Voorafgaande Beslissingen bevestigde dat de meerwaarden op futures niet als beroepsinkomsten konden worden belast.
Daarvoor werd onder meer gewezen op het feit dat de aanvragers een voltijdse beroepsactiviteit hadden, niet professioneel actief waren als handelaar in futures en geen organisatie hadden uitgebouwd die vergelijkbaar was met een professionele beleggingsactiviteit.
Vervolgens oordeelde de Dienst dat de meerwaarden evenmin als diverse inkomsten moesten worden belast. Daarbij werd benadrukt dat de futures slechts een beperkt onderdeel vormden van een bredere en gediversifieerde vermogensopbouw. De initiële inleg was beperkt in verhouding tot het totale vermogen, er werden geen grote financieringen of speculatieve leningen gebruikt, en de beleggingen vloeiden voort uit eigen spaargelden.
De Dienst hechtte ook belang aan de gekozen future spread-strategie. Omdat deze strategie niet focust op de algemene prijsbeweging van één futurecontract, maar op de spread tussen verschillende contractmaanden, werd het risicoprofiel lager geacht. Volgens de Dienst paste dit binnen de aanpak van een goede huisvader die zijn vermogen op verantwoorde wijze beheert.
Opvallend is dat de Dienst uitdrukkelijk bevestigde dat marktkennis op zichzelf geen negatief element is. In de beslissing van 2026 werd zelfs gesteld dat de futures spread-strategie kennis van de markt vergt, maar dat dit net een positief element is in de beoordeling.
De Dienst hield verder rekening met het feit dat de aanvragers eenvoudig van thuis uit handelden via een online broker, zonder externe advisering, zonder zware investeringen, zonder leningen, zonder pandgeving en zonder borgstelling. Het organisatieniveau oversteeg volgens de Dienst niet wat van een goede huisvader kan worden verwacht.
De Dienst Voorafgaande Beslissingen erkende dat futurescontracten, gelet op het hefboomeffect, in abstracto tot aanzienlijke verliezen kunnen leiden. In het concrete dossier werd dit risico echter sterk genuanceerd, omdat de aanvrager slechts werkte met een inleg die relatief beperkt was in verhouding tot zijn totale vermogen. Daardoor was er volgens de Dienst geen sprake van een reëel risico op een substantieel vermogensverlies.
3. Wat kunnen we hieruit leren?
Futures worden vaak geassocieerd met hefboomwerking en speculatie. Toch tonen deze beslissingen aan dat de concrete strategie, de verhouding tot het totale vermogen, de gebruikte middelen en het organisatieniveau doorslaggevend blijven.
Relevante elementen zijn onder meer:
de omvang van de investering in verhouding tot het totale vermogen;
het al dan niet gebruiken van leningen of investeringskredieten;
de mate van risicospreiding binnen het vermogen;
de aard van de strategie, bijvoorbeeld een spread-strategie in plaats van directionele speculatie;
de frequentie van de transacties;
het gebruik van eigen middelen;
het ontbreken van een professionele organisatie;
het ontbreken van externe advisering, pandgeving of borgstelling;
het feit dat marktkennis niet automatisch tegen de belastingplichtige speelt.
In de praktijk worden wij regelmatig geconfronteerd met cliënten die naar aanleiding van een fiscale controle vragen krijgen van de administratie over beleggingen in cryptoactiva of andere financiële producten, waarbij snel wordt gewezen op het risicovolle of technische karakter van de betrokken activa.
Tegen die achtergrond is het positief dat de Dienst Voorafgaande Beslissingen in deze rulings een genuanceerde benadering hanteert. De Dienst vertrekt niet louter van het type financieel instrument, maar kijkt naar het volledige feitenkader, waaronder de omvang van de investering, de gebruikte middelen, de verhouding tot het totale vermogen, het organisatieniveau, de frequentie van de verrichtingen en de concrete risicobeheersing.
Hoewel deze beslissingen betrekking hebben op futures, kan de onderliggende redenering ons inziens mutatis mutandis worden toegepast op andere financiële activa, waaronder cryptoactiva. Ook bij crypto kan het feit dat een activum risicovol of technisch complex is, niet volstaan om automatisch tot speculatie te besluiten.
Diezelfde zienswijze dient ons inziens ook te gelden voor andere afgeleide producten waarvan het risicoprofiel beperkt blijft en waarbij de verrichtingen passen binnen een normaal, voorzichtig en redelijk beheer van privévermogen.
Finaal is het In dit verband ook interessant dat de Dienst Voorafgaande Beslissingen erkende dat futurescontracten, gelet op het hefboomeffect, in abstracto tot relevante verliezen kunnen leiden. In het concrete dossier oordeelde zij echter dat er geen sprake was van een substantieel risico op verlies, omdat de aanvrager slechts met een relatief beperkte inleg werkte in verhouding tot zijn totale vermogen.
Dat is een belangrijk nuancepunt. De Dienst lijkt hiermee te aanvaarden dat het risico niet louter moet worden beoordeeld op basis van het financiële product op zich, maar ook op basis van de concrete financiële blootstelling van de belastingplichtige. Wanneer slechts een beperkt bedrag wordt geïnvesteerd, is het risico op een substantieel vermogensverlies beperkter, waardoor een kwalificatie als speculatie moeilijker te verdedigen is.
Die redenering is bijzonder relevant voor crypto-investeerders. Wie bijvoorbeeld enkele honderden euro's investeert in een bepaalde coin of token, neemt op het moment van de instap een beperkt financieel risico, ongeacht wat er nadien gebeurt. Wanneer die investering uitgroeit tot tienduizenden euro's, mag de omvang van de uiteindelijke meerwaarde niet worden gebruikt om achteraf een speculatieve intentie te construeren. De beoordeling moet gebeuren op basis van het risico op het moment van de investering, en een inleg van enkele honderden euro's volstaat in beginsel niet om te spreken van een buitensporige of speculatieve blootstelling.
4. Besluit
Futures en andere afgeleide financiële producten zijn niet per definitie speculatief. Ook met meer technische of risicogevoelige financiële instrumenten kan een belastingplichtige binnen het normaal beheer van privévermogen blijven, voor zover de investering beperkt blijft in verhouding tot het totale vermogen, er geen professionele organisatie wordt uitgebouwd, er geen buitensporige financiering wordt gebruikt en de strategie gericht is op risicobeheersing.
Voorafgaande beslissingen nr. 2025.0325 en nr. 2026.0065 tonen aan dat de fiscale beoordeling niet mag vertrekken van het financiële instrument op zich, maar van het volledige feitenkader. Dat is ook relevant voor cryptoactiva, waar technische complexiteit of marktkennis op zichzelf niet mag volstaan om een belegger als speculatief te kwalificeren.
Deze beslissingen passen bovendien binnen een bredere lijn in de rulingpraktijk, rechtspraak en rechtsleer waarbij afzonderlijke risicofactoren niet automatisch doorslaggevend zijn. Zo leidt het gebruik van een lening niet per definitie tot speculatie of abnormaal beheer, net zoals een relatief korte holdingperiode, een sterke concentratie in één activum of een aanzienlijke meerwaarde op zichzelf niet volstaan om normaal privébeheer uit te sluiten.
De beoordeling blijft dus steeds concreet en globaal. Doorslaggevend is niet één geïsoleerd element, maar de vraag of de belastingplichtige, rekening houdend met alle omstandigheden, heeft gehandeld als een normaal, voorzichtig en redelijk beheerder van zijn privévermogen.
Daarbij moet wel worden opgemerkt dat, vanaf inkomstenjaar 2026, de algemene meerwaardebelasting van 10% in beginsel van toepassing zal zijn op meerwaarden op financiële activa. Het onderscheid tussen normaal beheer en speculatie blijft wel relevant voor de kwalificatie en het toepasselijke regime, maar sluit de toepassing van de nieuwe algemene meerwaardebelasting vanaf 2026 niet noodzakelijk uit.
Over Aeacus Lawyers
Aeacus Lawyers is een Belgisch advocatenkantoor gespecialiseerd in crypto-fiscaal recht en financieel recht. Wij begeleiden investeerders, traders, founders en ondernemingen bij de fiscale en regulatoire aspecten van digitale activa en financiële structuren.
Dit artikel is louter informatief. Heeft u bijkomende vragen over de fiscaliteit van cryptoactiva of uw persoonlijke situatie? Klik hieronder voor een vrijblijvende en kosteloze eerste afspraak.
Indien u nog andere vragen hebt over crypto bekijk dan zeker onze Frequently Asked Questions (FAQ)
Auteur: Senne Verholle
Senne Verholle is advocaat aan de Balie Brussel en is gespecialiseerd in de fiscale en juridische behandeling van cryptoactiva. Binnen Aeacus Lawyers focust hij zich op crypto tax advisory, de analyse en fiscale kwalificatie van crypto-inkomsten, meerwaarden, staking rewards en andere digitale activa. Hij begeleidt cliënten onder meer bij fiscale analyses, aangiftes, rulings.


