top of page

Rechtbank aanvaardt normaal privébeheer ondanks korte holdingperiode en hoge meerwaarde

In het kort

De Rechtbank van Eerste Aanleg Waals-Brabant oordeelde op 2 maart 2026 dat een aandelenmeerwaarde van ongeveer 1,7 miljoen euro niet belastbaar was als divers inkomen.

De belastingplichtige had begin 2019 ongeveer 3,2 miljoen USD geïnvesteerd in aandelen en verkocht die ongeveer drie maanden later voor ongeveer 5,2 miljoen USD. Ondanks de korte holdingperiode, de aanzienlijke meerwaarde en zijn professionele expertise in de energiesector vond de rechtbank dat de fiscus onvoldoende bewezen had dat er sprake was van “abnormaal beheer van privévermogen”.

Bron: Rb. Waals-Brabant (14e k.), 2 maart 2026, rolnr. 24/804/A.

1. Feiten van de zaak

Tijdens een fiscale controle onderzocht de administratie buitenlandse rekeningen van de belastingplichtige voor de periode 2018-2019. Daarbij ontdekte de fiscus een reeks transacties in energieaandelen.

Begin 2019 verkocht de belastingplichtige aandelen van Cheniere Energy en Tellurian. Met een deel van die opbrengst kocht hij vervolgens ongeveer 70.000 aandelen van het Amerikaanse energiebedrijf Anadarko Petroleum voor ongeveer 3,2 miljoen USD.

Enkele maanden later, op 6 mei 2019, verkocht hij alle aandelen voor ongeveer 5,2 miljoen USD. De gerealiseerde meerwaarde bedroeg ongeveer 2 miljoen USD, of circa 1,7 miljoen EUR.

De fiscus beschouwde deze verrichting als speculatief. Volgens de fiscus wezen onder meer de korte holdingperiode, de omvang van de investering, de professionele expertise van de belastingplichtige en de gerealiseerde meerwaarde erop dat er sprake was van abnormaal beheer van privévermogen.

2. Waarom zag de fiscus dit als abnormaal beheer van privévermogen?

Volgens de fiscus viel de verrichting buiten het normale beheer van privévermogen in de zin van artikel 90, eerste lid, 9° WIB 92. De fiscus probeerde de gerealiseerde meerwaarde daarom te belasten als divers inkomen aan het afzonderlijk tarief van 33%.

Volgens de fiscus wezen verschillende elementen op speculatie, waaronder:

  • de korte holdingperiode van ongeveer drie maanden;

  • de aanzienlijke investering van meer dan 3 miljoen USD;

  • de hoge gerealiseerde meerwaarde van ongeveer 1,7 miljoen EUR;

  • de professionele ervaring van de belastingplichtige in de energiesector;

  • eerdere actieve trading in energieaandelen;

  • de concentratie van een groot deel van de portefeuille in één aandeel.

Daarnaast verwees de administratie naar eerdere transacties in Cheniere- en Tellurian-aandelen en zelfs naar een vroegere insider trading-veroordeling in de Verenigde Staten.

Volgens de fiscus zou een normaal voorzichtig belegger niet zo’n groot deel van zijn vermogen in één enkel aandeel investeren. Opvallend is bovendien dat de administratie ook verwees naar informatie afkomstig van artificiële intelligentie om het risicovolle karakter van de investering te onderbouwen.

De administratie was voor alle duidelijkheid niet van oordeel dat er sprake was van beroepsinkomsten.

3. Hoe beoordeelde de rechtbank “normaal beheer van privévermogen”?

Centraal in het geschil stond de vraag of de gerealiseerde meerwaarde nog kaderde binnen het “normaal beheer van privévermogen” in de zin van artikel 90, eerste lid, 9° WIB 92, dan wel speculatief van aard was.

De rechtbank benadrukt dat die beoordeling steeds “in concreto” moet gebeuren, rekening houdend met alle omstandigheden van het dossier. Daarbij verwijst zij onder meer naar rechtspraak van het Hof van Cassatie en het hof van beroep te Gent.

De rechtbank van Waals-Brabant vat haar analyse aan met de vaststelling dat het WIB 92 geen wettelijke definitie bevat van het begrip “speculatie”. Zij grijpt daarom terug naar de klassieke cassatierechtspraak over normaal beheer van privévermogen en speculatieve verrichtingen.

Onder verwijzing naar Cass. 18 mei 1977 en Cass. 6 mei 1988 herhaalt de rechtbank dat een verrichting speculatief kan zijn wanneer zij gepaard gaat met aanzienlijke risico’s en de mogelijkheid op zowel een belangrijke winst als een zwaar verlies, als gevolg van marktbewegingen of prijsschommelingen.

De rechtbank verwijst daarnaast naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 24 februari 2022 (nr. 31/2022), waarin werd bevestigd dat de uitzondering voor “normaal beheer van privévermogen” strikt moet worden geïnterpreteerd.

Daarnaast verwijst de rechtbank naar een arrest van het hof van beroep te Gent van 22 maart 2022, waarin werd geoordeeld dat de fiscus moet aantonen dat een verrichting buiten het normale beheer van privévermogen valt. Volgens dat arrest kunnen verrichtingen nog steeds onder normaal privébeheer vallen wanneer zij gericht zijn op het behoud of de groei van het vermogen zonder buitensporige risico’s of professionele technieken.

De rechtbank verwijst bovendien uitvoerig naar rechtsleer van onder meer Marc Marlière, Christine Schotte en professor Kirkpatrick. Daarbij wordt benadrukt dat één enkel element doorgaans onvoldoende is om speculatie aan te tonen.

Volgens de rechtbank kunnen onder meer volgende elementen relevant zijn bij de beoordeling:

  • de snelheid van aankoop en verkoop;

  • de omvang van het risico;

  • de verwachting van een grote winst;

  • de ervaring van de belastingplichtige;

  • de herhaling van transacties;

  • het gebruik van leningen;

  • de gebruikte technieken.

Interessant is ook dat de rechtbank herhaalt dat verrichtingen in beursgenoteerde aandelen traditioneel een vermoeden genieten van normaal privébeheer. Daarbij verwijst zij naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 november 1962 en naar Com.IR 90/8.

4. Waarom kreeg de belastingplichtige gelijk?

Hoewel de rechtbank erkent dat bepaalde elementen op speculatie konden wijzen, vond zij uiteindelijk dat de fiscus onvoldoende bewijs leverde.

Zo erkent de rechtbank dat de korte holdingperiode een relevant element is, maar oordeelt duidelijk dat dit op zichzelf onvoldoende is om speculatie aan te tonen.

De rechtbank hechtte onder meer belang aan het feit dat het ging om beursgenoteerde aandelen en dat de belastingplichtige een inhoudelijke economische analyse had gemaakt. Volgens het vonnis was zijn beslissing gebaseerd op:

  • analyse van de beurskoers;

  • analyse van de olieprijs;

  • analyse van kwartaalrapporten;

  • kennis van de cycliciteit van de energiesector.

De rechtbank aanvaardde dat de belastingplichtige redelijkerwijze mocht menen dat het aandeel Anadarko ondergewaardeerd was.

Daarnaast speelde ook mee dat hij nog een aanzienlijke cashpositie aanhield en zijn vermogen actief maar niet roekeloos beheerde.

Misschien de belangrijkste passage uit het vonnis is dat de rechtbank expliciet bevestigt dat een privévermogen op een dynamische manier mag worden beheerd.

Met andere woorden: een privévermogen mag actief en intelligent beheerd worden zonder automatisch speculatief te worden.

De rechtbank besloot daarom dat de administratie niet bewezen had dat sprake was van abnormaal beheer van privévermogen. De aanslag werd volledig vernietigd.

5. Wat betekent dit voor crypto en andere financiële activa?

Hoewel dit vonnis betrekking heeft op beursgenoteerde aandelen en niet op cryptoactiva, bevat het verschillende principes die ook relevant zijn voor cryptobeleggers.

De elementen waarop de fiscus zich in deze zaak baseerde, zoals een korte holdingperiode, hoge meerwaarden, actieve trading en gespecialiseerde marktkennis, komen immers ook regelmatig terug in discussies over de fiscale behandeling van cryptoactiva.

Crypto verschilt uiteraard op bepaalde punten van klassieke aandelen. Toch blijkt uit zowel dit vonnis als uit de parlementaire voorbereiding van de nieuwe meerwaardebelasting dat cryptoactiva principieel niet anders behandeld zouden mogen worden dan andere financiële activa.

Minister van Financiën Jan Jambon verklaarde tijdens de parlementaire werkzaamheden uitdrukkelijk dat cryptoactiva net zoals alle andere financiële activa worden behandeld, zonder onderscheid. Daarnaast stelde de minister ook dat een belasting wegens abnormaal beheer of speculatie uitzonderlijk is bij de aankoop en verkoop van cryptoactiva, en dat het een combinatie van factoren, en niet slechts één factor is die kan leiden tot een belasting aan 33 %. Zo stelde de minister dat "De overgrote meerderheid van de beleggers zullen vallen onder de taxatie van de meerwaardebelasting van artikel 90, lid 1, 9° WIB 92" (Parl.St. Kamer 2025-26, nr. 56-1244/004, Verslag namens de Commissie voor Financiën en Begroting door B. Piedboeuf (eerste lezing) p.195).

Verder verduidelijkte de minister dat die aanpak ook geldt voor speculatieve meerwaarden op andere financiële producten.

Dat alles lijkt te bevestigen dat:

  • hoge meerwaarden;

  • snelle verkopen;

  • actieve opvolging van markten;

  • frequente transacties;

  • of gespecialiseerde kennis

op zichzelf onvoldoende zijn om automatisch tot belastbare speculatie te besluiten, ook niet bij cryptoactiva.

6. Het gelijkheidsbeginsel: aandelen en crypto

Dit vonnis is ook relevant vanuit het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Artikel 10 en 11 van de Grondwet bepalen dat vergelijkbare situaties in beginsel op vergelijkbare wijze moeten worden behandeld, tenzij een objectieve en redelijke verantwoording bestaat voor een onderscheid.

Wanneer geconcentreerde posities, korte holdingperiodes, actieve switching tussen activa en aanzienlijke meerwaarden bij beursgenoteerde aandelen nog steeds kunnen worden beschouwd als normaal beheer van privévermogen, rijst minstens de vraag waarom vergelijkbare gedragingen bij cryptoactiva automatisch als speculatief zouden moeten worden gekwalificeerd.

Die vraag wordt nog relevanter nu de minister van Financiën expliciet verklaarde dat cryptoactiva “zonder onderscheid” moeten worden behandeld zoals andere financiële activa (Parl. St. Kamer 2024-25, DOC 56-0909/001, p. 33).

De minister verwees daarbij bovendien naar de Europese regelgeving, die volgens hem zorgt voor “een belangrijke reglementaire gelijkschakeling tussen reguliere financiële instrumenten en cryptoactiva” (Parl. St. Kamer 2024-25, DOC 56-0909/001, p. 33).

Dat betekent uiteraard niet dat crypto nooit belastbaar kan zijn als divers inkomen of beroepsinkomen. Elementen zoals systematisch gebruik van leverage, een professionele organisatie of zeer hoge transactiefrequentie kunnen nog steeds bijdragen tot een kwalificatie als speculatief of beroepsmatig.

Maar een benadering waarbij cryptoactiva louter wegens hun aard automatisch strenger zouden worden behandeld dan klassieke financiële activa, lijkt moeilijk verenigbaar met zowel de parlementaire voorbereiding als het gelijkheidsbeginsel.

7. Rechtspraak versus Dienst Voorafgaande Beslissingen

Dit vonnis illustreert opnieuw dat de rechtspraak in dossiers rond speculatie en normaal beheer van privévermogen vaak genuanceerder en pragmatischer oordeelt dan de praktijk van de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB), zeker in dossiers met betrekking tot cryptoactiva.

In de praktijk blijken de voorwaarden waaronder de DVB bereid is om een positieve ruling af te leveren geregeld bijzonder voorzichtig te worden ingevuld. Vooral bij actieve cryptoportefeuilles, kortere holdingperiodes of hogere gerealiseerde meerwaarden blijkt het in veel gevallen moeilijk om voorafgaande fiscale zekerheid te verkrijgen.

Dat betekent evenwel niet dat dergelijke verrichtingen automatisch speculatief of belastbaar zijn.

Ook in dit dossier waren verschillende elementen aanwezig die in rulingdossiers vaak als problematisch worden beschouwd: een relatief korte holdingperiode, actieve transacties, aanzienlijke meerwaarden, gespecialiseerde marktkennis en een geconcentreerde positie in één activum. Toch oordeelde de rechtbank uiteindelijk dat de fiscus onvoldoende had aangetoond dat sprake was van abnormaal beheer van privévermogen.

Het vonnis bevestigt daarmee dat de uiteindelijke beoordeling steeds een globale feitenanalyse blijft, waarbij geen enkel afzonderlijk criterium automatisch doorslaggevend is.

8. Besluit

Het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Waals-Brabant van 2 maart 2026 is een belangrijke en welkome beslissing binnen het debat rond speculatie en normaal beheer van privévermogen.

De rechtbank neemt duidelijk afstand van een al te simplistische benadering waarbij korte holdingperiodes, hoge meerwaarden of actieve opvolging van markten automatisch als speculatief zouden worden beschouwd. In plaats daarvan benadrukt zij dat een globale en concrete feitenanalyse noodzakelijk blijft.

Opvallend is bovendien dat de rechtbank zichtbaar oog heeft voor de economische realiteit van investeringen en beursmarkten. Het vonnis erkent expliciet dat een privévermogen dynamisch mag worden beheerd en dat een goed geïnformeerde belegger niet automatisch speculatief handelt omdat hij marktkennis bezit of opportuniteiten benut.

Daarmee vormt deze uitspraak ook een belangrijke tegengewicht tegenover een tendens waarbij de fiscus bepaalde beleggersdossiers steeds sneller als “abnormaal beheer” lijkt te kwalificeren.

Hoewel het vonnis betrekking heeft op beursgenoteerde aandelen, bevat het ook relevante principes voor cryptobeleggers. De rechtbank bevestigt immers dat:

  • geen enkel afzonderlijk criterium automatisch doorslaggevend is;

  • een korte holdingperiode op zichzelf onvoldoende is;

  • hoge meerwaarden niet automatisch speculatief zijn;

  • en de beoordeling steeds moet gebeuren op basis van het volledige feitenkader.

In combinatie met de parlementaire voorbereiding rond cryptoactiva lijkt dit vonnis dan ook een bijkomende aanwijzing dat ook cryptobeleggingen op een genuanceerde en juridisch consistente wijze moeten worden beoordeeld.

Tegelijk moet uiteraard worden gewaakt over overdreven conclusies uit deze uitspraak. Het gaat voorlopig slechts om één vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg Waals-Brabant, waardoor de kans reëel is dat nog hoger beroep zal worden aangetekend. Bovendien is een dergelijke beslissing juridisch niet bindend voor andere dossiers of rechtbanken. Het blijft dus afwachten in welke mate andere rechtbanken en hoven deze benadering zullen volgen. Niettemin vormt dit vonnis minstens een belangrijk en positief signaal dat ook binnen de rechtspraak ruimte bestaat voor een meer genuanceerde en economisch realistische beoordeling van beleggingstransacties.

Zeker nu met de nakende DAC8-rapporteringsverplichtingen en de toenemende datamining door de fiscale administratie, waardoor controles rond cryptoactiva de komende jaren vermoedelijk aanzienlijk zullen toenemen, vormt dit vonnis een bijkomend en relevant argument voor belastingplichtigen die geconfronteerd worden met discussies over vermeende speculatie of abnormaal beheer van privévermogen.

Over Aeacus Lawyers

Aeacus Lawyers is een Belgisch advocatenkantoor gespecialiseerd in crypto-fiscaal recht en financieel recht. Wij begeleiden investeerders, traders, founders en ondernemingen bij de fiscale, regulatoire aspecten en fiscale procedures inzake digitale activa en financiële assets.

Dit artikel is louter informatief. Heeft u bijkomende vragen over de fiscaliteit van cryptoactiva of uw persoonlijke situatie? Klik hieronder voor een vrijblijvende en kosteloze eerste afspraak.



Indien u nog andere vragen hebt over crypto bekijk dan zeker onze Frequently Asked Questions (FAQ)



Christophe Romero Senne Verholle

 
 

Contact

Aeacus Lawyers staat tot uw dienst voor al uw juridische vragen. U kan met ons geheel vrijblijvend contact opnemen via het onderstaande e-mailadres of door het onderstaande formulier in te vullen. Wij komen zo spoedig mogelijk bij u terug. 

bottom of page